Column

Troonrede uit de Efteling

Je moet het Geert Wilders nageven: hij is een meester in het bedenken van oneliners. Gevraagd naar zijn reactie op de Troonrede zei hij voor de camera’s van het NOS-journaal: „Wat ik heb gehoord is eigenlijk een Troonrede uit de Efteling, een beetje een sprookjestroonrede. Het ging allemaal goed met Nederland. Ik denk dat de werkelijkheid totáál anders is dan deze sprookjesverhalen.”

Het knappe van Wilders is dat hij dit zo uit zijn mouw lijkt te schudden. Bij andere politici heb je vaak de indruk dat ze samen met hun woordvoerder een leuke quote hebben bedacht die er vervolgens een beetje aarzelend uitkomt. Hoe zou ik dat ook alweer precies framen? O ja, ik heb ’m geoefend – daar komt-ie.

Ik vermoed dat ook Wilders sommige oneliners van tevoren bedenkt, maar ze zijn hem op ’t lijf geschreven en klinken spontaan en dus oprecht. Een politicus die er niet in slaagt om oprecht over te komen kan wel inpakken, want veel stemmers zijn allergisch voor onoprechtheid.

Een Troonrede uit de Efteling: het is een beeldspraak waar je even om moet gniffelen en die daardoor veel beter blijft hangen dan het grijze commentaar van al die andere politici in grijze pakken die ook hun zegje voor de NOS-camera’s mochten doen. Bovendien sluit de typering sprookjestroonrede goed aan bij de rest van het decor: een koning en koningin in véél te grote stoelen, lakeien met goudomrande hoeden en als hoogtepunt een glazen koets – veel sprookjesachtiger kun je het niet krijgen.

De kernboodschap van de Troonrede was: het gaat beter met de Nederlandse economie. De onderliggende boodschap luidt: dat hebben wij, het zittende kabinet, goed gedaan dus kies ons nogmaals. Vanwege die onderliggende boodschap krijgt de regering nu van de oppositie het verwijt aan borstklopperij te doen. Zo zei Jesse Klaver, fractievoorzitter van GroenLinks: „De koning heeft de troonrede mooi uitgesproken. Maar ik stoor me aan de borstklopperij van het kabinet.”

Ik heb dat altijd een mooi woord gevonden: borstklopperij. Ik weet dat de mens van de aap afstamt, maar vanwege de opsmuk van de beschaving verlies ik dat weleens uit het oog. Tot ik mannen zie die zich – letterlijk – op de borst slaan. Uit trots of om moed te verzamelen: de onderliggende emoties lopen uiteen.

Ik veronderstelde dat het woord borstklopperij al oud was: minstens uit de tijd van Darwin. Maar het blijkt betrekkelijk jong. De Dikke Van Dale voegde het in 2006 toe, met als betekenis ‘uiting dat men zich ergens op laat voorstaan’ en met als synoniem borstgeroffel. In oude kranten kwam ik borstklopperij voor het eerst tegen in 1909, in een politieke context. „Is het ook niet komisch”, schreef het socialistische dagblad Het Volk indertijd over de orthodox-protestantse politicus Abraham Kuyper, „dat iemand als dr. Kuyper, die onder oogverdraaiïng en borstklopperij beweert, dat er voor den zwakke slechts één rechtsmiddel is: de werkstaking.’’

Overigens is de woordvorm borstkloppig al véél ouder. Vondel gebruikte dit in 1612 in een gedicht (,,als ick […] met een borstkloppich hert, en met een swaer verzuchten’’). Dit woord heeft echter een heel andere betekenis, namelijk: in de borst kloppend.

Ewoud Sanders schrijft wekelijks over taal. Twitter: @ewoudsanders