Commentaar

Recht van migrantenkind regel jevia de wet en niet via de duim van de staatssecretaris

Van initiatiefwetsvoorstellen moet de burger in het algemeen geen hoge verwachtingen koesteren. Uit een overzicht gemaakt door NRC van deze zittingsperiode bleken van de 52 initiatieven er 7 te zijn aangenomen. De politieke verhoudingen zijn te weinig stabiel om dergelijke langetermijnprojecten vol te kunnen houden. Het duurt bovendien jaren – het onlangs nipt aangenomen D66-voorstel over orgaandonatie zat sinds 2012 in de pijpleiding. En dan moet de behandeling in de senaat nog volgen.

Het wetsvoorstel van PvdA en GroenLinks om de juridische positie van minderjarige asielzoekers te versterken, dat deze week werd ingediend, heeft dus een lange weg te gaan. Het heeft intussen wel alles in zich om een einde te maken aan de schrijnende toestanden rond meestal geïntegreerde, goed Nederlands sprekende scholieren die aan uitzetting trachten te ontkomen. Zij moeten doorgaans het land uit omdat hun ouders geen recht op verblijf hebben – waarna zij terechtkomen in landen waar mogelijk genitale verminking, oorlog, rekrutering, discriminatie en onveiligheid dreigen. Om van ontheemding te zwijgen. Deze kinderen (en hun ouders) kunnen alleen in Nederland blijven als de staatssecretaris een uitzondering maakt – waardoor willekeur dreigt. En de politiek ten slotte haar toevlucht zoekt tot een ‘kinderpardon’, dat nieuwe grensgevallen creëert en dus politieke spanningen.

Het uiterst beknopte wetsvoorstel-Kuiken-Voortman beoogt aan dit lapwerk een eind te maken. Het stelt voor een ‘eigen’ grond voor minderjarigen op te nemen in de Vreemdelingenwet op basis waarvan zij een verblijfsvergunning kunnen krijgen. Namelijk als afwijzing van de aanvraag „de belangen van de vreemdeling die minderjarig is” ernstig bedreigt. Met als escape „tenzij het algemeen belang zich daar in het specifieke geval tegen verzet”. Of deze regel streng of ruim moet worden uitgelegd, is uiteraard een politiek-bestuurlijke kwestie.

Maar als dit ooit wet mag worden, worden al die verwesterde, geïntegreerde, half of driekwart opgeleide nieuwe Nederlanders van buitenlandse herkomst juridisch op de kant getrokken. En krijgen ze wat hun toekomt – een eigen, wettelijke voorgeschreven, rechterlijk toetsbare bestuurlijke beoordeling. Bij het resultaat waarvan de publieke opinie zich dan ook kan neerleggen. Het weinig verheffende politieke en mediaspektakel kan verstommen. Wat zou dat een opluchting zijn. Geen staatssecretaris meer die als een Romeinse keizer de duim omhoog of omlaag doet. Geen dwepende media meer, geen lapwerk met pardonmaatregelen, geen emotiepolitiek van aandachtzoekende politici, maar een nette, toetsbare regel. Precies waar de wetgever voor is.