Interview

‘Kunstenaar economische alien’

Interview

De slechte arbeidsmarkt voor kunstenaars in Nederland vraagt om een kunstenaarsbeleid, vindt de kunsteconoom Pim van Klink: „Kijk naar de Denen.”

Pim van Klink Foto Sake Elzinga ©

Een handleiding voor de kunstenaar, mede in opdracht van kunstenbond FNV Kiem. Je zou het misschien niet van Pim van Klink verwachten. Vijf jaar geleden werd de kunsteconoom verguisd in de kunstwereld, nadat hij in een interview met NRC culturele instellingen „subsidieverslaafden” had genoemd en erop had aangedrongen dat ze veel meer eigen inkomsten zouden binnenhalen.

Nu zegt hij: „De kunstenaar is de economische paria van deze tijd. Er wordt op ze bezuinigd, hun auteursrecht wordt geschonden, het publiek is niet meer bereid om op internet te betalen voor hun creaties. De situatie is alarmerend.”

Noodklok luiden

Bijna om zich te verontschuldigen zet hij in de inleiding van het deze week verschenen De bijzondere economie van het kunstenaarschap. Wat iedere kunstenaar moet weten uiteen dat hij ooit begon als drummer in Haagse popbandjes en als ambtenaar op het ministerie van Cultuur de cultuursubsidies hielp verhogen. Daarna was hij jarenlang directeur van podia, gezelschappen en cultuurorganisaties. De boodschap: hij is dan wel econoom, maar geen buitenstaander.

Van Klink is niet de eerste die de noodklok luidt. Eerder dit jaar zetten in een gezamenlijk onderzoek de Sociaal-Economische Raad en de Raad voor Cultuur de schijnwerper op de slechte arbeidsmarktpositie van kunstenaars. Minister Bussemaker stelde dit voorjaar 2 miljoen euro beschikbaar voor verbetering van de arbeidsmarktpositie.

„Dat gaat natuurlijk niet veel helpen. Ze blinkt niet uit in beleidscreativiteit”, stelt Van Klink in de tuin van zijn huis in Groningen. „Er moet niet alleen kunstbeleid zijn, maar ook een kunstenaarsbeleid. Dat hoeft helemaal niet zoveel te kosten”, zegt hij.

De kunstenaar is de economische paria van deze tijd

Hij deed in het kader van het topsectorenbeleid onderzoek aan de Universiteit van Tilburg, betaald door NWO en de vakbond. In zijn boek beschrijft hij hoe vijf rolmodellen wel goed kunnen leven van hun kunstenaarschap. Wat Paul Verhoeven, Anton Corbijn, Arnon Grunberg, Herman van Veen en de Golden Earring gemeenschappelijk hebben? „Ze zijn door roeien en ruiten gegaan, hebben een enorm doorzettingsvermogen, hebben allemaal financieel zware tijden meegemaakt maar met een geloof in eigen kracht overleefd en hun strategie steeds aangepast aan de omstandigheden”, zegt hij.

Maar net als andere kunstenaars zijn ook zij een economische alien. Met die term wil Van Klink aanduiden dat de kunstenaar niet past in de economische theorie. „Die gaat uit van mensen die inkomen verwerven om consumptiemiddelen te kunnen kopen. Als hun arbeid in de ene sector te weinig opbrengt, dan gaan ze naar een andere sector. Maar kunstenaars laten zich alleen leiden door artistieke prikkels, ze willen creëren en verlaten de kunstsector niet.”

Dat leidt tot overaanbod en omdat de vraag weifelachtig is, bestempelt Van Klink de kunstmarkt tot de moeilijkste aller markten. „Dat overaanbod leidt tot hoge werkloosheid, want er is in economische zin geen behoefte aan al die kunstenaars.

Vriendschappen gekost

Zijn economische kijk op de kunsten wordt Pim van Klink niet altijd in dank afgenomen. Vijf jaar geleden werd hij weggezet als pleitbezorger van de drastische bezuinigingen van Halbe Zijlstra. Het heeft hem vriendschappen gekost, vertelt hij. „Vrienden in de gesubsidieerde kunstwereld wilden mij niet meer zien.”

Het kostte hem ook de mogelijkheid om voorzitter van de Raad voor Cultuur te worden. Hij had gesolliciteerd. „Ik werd de avond van het NRC-interview gebeld door de voorzitter van de sollicitatiecommissie. Ik zou toch wel begrijpen dat ik nu niet meer hoefde langs te komen.”

Hij is er niet voorzichtig op geworden en blijft zich kanten tegen het Nederlandse subsidiestelsel met zijn peer review, waarin vakgenoten zich buigen over de kwaliteit van subsidie-aanvragen en werk. „Als de culturele elite uitgekeken is op je werk, ben je je subsidie kwijt. Het oordeel van het publiek telt niet.”

Er moet niet alleen kunstbeleid zijn, maar ook een kunstenaarsbeleid

Actuele voorbeelden zijn Orkater en toneelgroep De Appel. „Voor de kunstwereld zijn zij verdacht, want ze bestaan al zo lang en hoe kunnen ze zich dan nog vernieuwen? En misschien zijn ze ook wel even niet meer helemaal scherp. Maar nu zijn ze gelijk hun subsidie kwijt en kunnen ze na jaren niet meer verder. Terwijl ze een groot eigen publiek hebben, dat ze nog steeds waardeert. Ze hebben allebei in vergelijking met andere gezelschappen relatief weinig subsidie en hoge eigen inkomsten, omdat ze al zo lang succesvol zijn. Ze zouden een streepje voor moeten hebben.”

Het perverse werkt volgens hem ook de andere kant op. „Neem popband de Staat. Die hebben subsidie aangevraagd, omdat ze iets vernieuwends wilden doen. Na alle ophef erover, hebben ze spijt. Ze hebben zich niet gerealiseerd wat het voor hun imago betekent. Ik zie dat ook bij jonge kunstenaars. Die willen geen kunstenaar meer genoemd worden. Liever maker. Dan kleeft niet dat imago van subsidietrekker aan ze.”

De mythe van de autonome kunstenaar moet eindelijk eens worden losgelaten, vindt Van Klink. „Dat idee staat geheel buiten de werkelijkheid. Veel grote kunstenaars hebben zich in de loop der geschiedenis aangepast om in hun inkomen te kunnen voorzien. Daardoor creëerden ze voor zichzelf de ruimte om grote dingen te maken. Hoe autonomer de kunstenaar, hoe geïsoleerder hij is.”

Hij ergert zich aan het gebrek aan waardering voor kunstenaars die veel geld weten te verdienen. „Ken je dat verhaal van Armin van Buuren?”, vraagt hij. „Er was een tiental jaar geleden een groepje jongens die illegaal cd’tjes van hem hadden gekopieerd. Daarmee kwamen ze naar hem toe met de vraag of hij die wilde signeren. Dat weigerde hij. ‘Doe niet zo flauw, je bent toch rijk genoeg’, kreeg hij te horen. Of iemand dat ooit tegen Apple zegt om een gratis smartphone te krijgen. Dat is toch raar.”

Marktmakers

In Nederland hebben we meer dan in andere landen het idee laten ontstaan dat een kunstenaar die veel geld verdient, geen goede kunstenaar kan zijn, vindt Van Klink. „In een interview verontschuldigde Herman van Veen zich dat hij veel geld heeft verdiend. Wat een onzin! Hij is een fenomeen met de manier waarop hij op zijn 23ste zijn eigen onderneming Harlekijn is begonnen, daarmee geld verdiende dat hij voor zijn eigen ontwikkeling en voor die van andere kunstenaars heeft ingezet. Dat is knap.”

Vrienden in de gesubsidieerde kunstwereld wilden mij niet meer zien

Marktmakers, noemt Van Klink deze mensen in zijn boek, en ze zijn volgens hem cruciaal. De overheid zou die marktmakers kunnen ondersteunen met een agentschap, heeft Van Klink bedacht. „Maar dat moet dan wel beleidsmatig verbonden zijn aan het ministerie van Economische Zaken, niet OCW.” Daarnaast zou de politiek het auteursrecht veel beter moeten regelen, om de verdiensten van kunstenaars te verhogen. „Een goed auteursrechtenbeleid is superieur aan subsidiebeleid, het levert veel kunstenaars veel meer op. We zouden een voorbeeld moeten nemen aan de Denen, waar de film- en televisie-industrie zich ontwikkelde nadat het ministerie van Cultuur het auteursrechtenprobleem voortvarend had aangepakt op aandringen van Lars von Trier en zijn collega’s van de Dogmabeweging. In Groot-Brittannië is het kabinetsbeleid, wordt het gezien als een economische kracht en daar gaat het ook goed met de creatieve industrie. Maar in Nederland zijn de ministeries laks, Justitie is verantwoordelijk en behandelt het als een verkeersregel.”

Van Klink pleit ook voor het terughalen van de kunstenaarsbijstandsregeling, de WWIK (Wet werk en inkomen kunstenaars). „Het is een schande dat het eerste kabinet Rutte die terzijde heeft geschoven. Het vorige kabinet verkocht dat als het afschaffen van een privilege voor kunstenaars. Maar hoezo een privilege? Kunstenaars moesten genoegen nemen met 70 procent van de bijstand. Alleen hoefden ze dan niet te solliciteren en konden ze die tijd besteden aan het maken van werk om zelf geld mee te verdienen. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zou die regeling direct weer moeten optuigen.”