Column

Koffie en vijgen en de totale helderheid

Kunst opdat de geschiedenis niet wegwaait. Op de Franzensbrücke in Wenen. In Pesaro. Thuis bij Tonino Guerra.

Studenten kunstacademie van Pesaro: Fogli fossili, 2008 (detail). Foto Erik van Zuylen

De ergste brug in Wenen is de Franzensbrücke over het Donaukanaal. Op het eerste gezicht is er niks ergs aan. Gewoon een brede brug voor allerlei verkeer, rijdend, joggend, wandelend. Ik neem ’m langzaam want ik kijk naar de grond en lees een lint van woorden. „Vor allem hab’ ich meine erste große Liebe in dieser Zeit erlebt” – zo begint het. Een bejaarde vrouw herinnert zich haar eerste liefde. Lief. Maar dan vallen er woorden als „Nur für Arier” en „irgendwelche SA-Sadisten” en tegen de tijd dat ik aan de andere kant van het kanaal ben, bonkt mijn keel. Ik liep over de brug waar haar Joodse geliefde urenlang door ijverige Nazi’s is getreiterd. De Oostenrijkse kunstenaar Catrin Bolt legde die herinnering over de volle lengte van de brug en dat werd een hartverscheurend monument ter herdenking van de Jodenvervolging in Wenen. Het verhaal van de vrouw eindigde ermee dat haar vriend sinds de mishandeling „wahnsinnig zermürbt” was – waanzinnig murw. Althans, dat lees ik op internet. Want Weense stratenmakers amputeerden de slotwoorden met achteloos aangebracht asfalt en nu loopt het verhaal uit op het woord „wahnsin”.

Asfalt over deze kunst? As op je hoofd, Wenen!

Waanzin. Waanzin was wat de Joden werd aangedaan. Waanzin dreigt weer, met stratenmakers die zomaar een kunstwerk als dit vernachelen en een stadsbestuur dat zulk vandalisme niet herstelt.

Zo vaak gaat het over de zin van kunst – waar is het goed voor, waarom zou daar belastinggeld naartoe moeten? Een monument als dit is een van de antwoorden. Kunst verhindert het verleden zich te verstoppen. Het houdt de geschiedenis scherp en ons bij de les. En het is mooi. Dat ook.

Verder naar het zuiden, in de Adriatische badplaats Pesaro, roert me een vergelijkbaar kunstwerk. Her en der in het plaveisel van het centrale Piazza del Popolo zijn vliegende vellen in keramiek gefixeerd. Historische voorpagina’s met koppen als „Het Joodse probleem”. Gemeentelijke verordeningen, aanwijzingen voor Joden die op transport werden gesteld. Fogli fossili heet het werk, ‘fossiele papieren’. Gemaakt in 2008, ter herdenking van de anti-Joodse wetten die Italië in 1938 uitvaardigde. Maar net als het werk op de Weense brug, wijst Fogli fossili erop dat de geschiedenis wegwaait als je niet oplet. En wat weg is, waarschuwt niet meer.

Dat kan ook met poëzie. Ik ben in het dorp Pennabili voor het kleine museum dat daar is gewijd aan Tonino Guerra (1920-2012). Zijn naam is minder bekend maar hij schonk de wereld zoveel moois. Hij was scenarist van Fellini (hij schreef Amarcord!) en Antonioni (Blow-up!) en vele anderen. Beeldend kunstenaar. Magisch denker. Dichter. Zijn weduwe inviteert me voor koffie en vijgen uit haar vijgenboom. We praten over de memoires die ze schrijft („het schiet niet op, ik ben Russisch, in iedere Rus zit een Oblomov, helaas”), en natuurlijk over Tonino. Over zijn Duitse gevangenschap. „Hij begreep dat hij vrij was toen hij een vlinder zag en die niet op wilde eten. Dat werd zijn eerste gedicht.”

’s Avonds zoek ik het gedicht op. Het is kort en prachtig. Het roept voor altijd op hoe oorlog het menselijk bewustzijn aantast. En hoe wonderbaarlijk helder dat voelt: vrij zijn.