Interview

‘Hoe hard kun je gaan?’

Daniël Leeflang

(46) stond als dj Dano aan de wieg van de Nederlandse gabber. De harde house ging steeds sneller, net als zijn leven, tot hij het zelf niet meer bijhield.

Dj Dano Foto Andreas Terlaak

Ooit snoof de Amsterdamse gabberkoning Dano een meter ketamine en zijn hele naam in cocaïne. Er was een tijd dat zijn vaste chauffeur en dealer – een gevaarlijke combinatie – dertig gram coke per week bezorgde en er was een periode dat hij dertien pillen per dag slikte. Eén was niet genoeg, het moest voor zijn gevoel all the way.

Beste hardcore-dj ter wereld

Dj Dano, Daniël Leeflang (46), was viervoudig winnaar van de titel Beste hardcore-dj ter wereld, deed vijf optredens per weekend, van Sydney tot Leeuwarden. Doordeweeks perste hij er nog eens twee tot drie tracks uit voor het volgende compilatie-album in zijn studio in Amsterdam. Vanzelf ging het niet.

‘Waarom moet je me niet vragen, het is gewoon gebeurd’ is het veelzeggende motto van Wat de fok ouwe, de biografie die muziekjournalist Arne van Terphoven (34) over de ‘Herman Brood van de dance’ schreef. Dano stond aan de wieg van hardcore (gabber) in Nederland: razendsnelle house met snoeiharde bassen, filmsamples en roffelende drums. Gabber groeide eind jaren negentig uit tot misschien wel de breedst gedragen jeugdcultuur in Nederland sinds rock-’n-roll.

Het boek leest als een wild jongensavontuur waar de liefde voor muziek vanaf druipt. Het ontstaan van de hardcore wordt met evenveel oog voor detail omschreven als de opkomst en ondergang van een Amsterdams jochie met faalangst en een bijna grenzeloze obsessie voor muziek.

Ik ontmoet Dano Leeflang en Van Terphoven in Warehouse Elementenstraat, een loods in het Westelijk Havengebied, waar hardcore in Amsterdam begon. Leeflang komt aankachelen in een klein rood autootje. Hij werkt in de bouw – „een soort betaalde sportschool” – en is voor de tweede keer vader geworden en voor de eerste keer opa. Dano heeft een vaste vriendin en is net een dag gestopt met roken. Zijn lever en nieren doen het nog goed, net als zijn hart. „Alleen mijn tanden, die zijn gemaakt op de stompjes die ik nog had.”

Hier, in de Elementenstraat, gaf hij begin jaren negentig de Multigroove-feesten met organisator Ilja Multigroove. Was in Rotterdam discotheek Parkzicht de bakermat van de gabber, in Amsterdam werden hier, in een loods, de beats steeds verder omhoog gedraaid. Dit was de plek waar Dano, Dov Elkabas (The Prophet) en Mark Vos (Buzz Fuzz) voor het eerst samen draaiden. De gabber-dj-boyband zou later met Ferry Salee (Gizmo) uitgroeien tot een superact.

Aan die beginperiode bewaart Dano een van zijn beste herinneringen. Op YouTube zie je mensen opgaan in de muziek, dansend met al hun ledematen. De muziek die op Multigroove werd gedraaid was voor de rouwdouwers, niet voor de grachtengordelelite. Gabber heeft een hard, bijna agressief imago, maar gaat voor Dano over „totale muzikale vrijheid”. „Hier kon alles. Qua drugs, maar ook qua muziek. Je kon er bij wijze van spreken de muziek testen die je dezelfde dag had gemaakt. Dit was geen club, dit was een broeinest.”

Jiddische vriend

Het gabberuniform – Nike Air Max, trainingspak en kale kop – bestond nog niet, wel kwam de term ‘gabber’, afgeleid van het Jiddische woord voor ‘vriend’, al in zwang. Er zat nog veel melodie in de muziek. Dano: „Als je Energy Flash van Joey Beltram terug luistert, dan denk je: best wel loom. Maar hier was dat toen echt een hardcore-plaat. We waren gewoon veel minder gewend!”

Mede onder invloed van xtc – en later speed – ging de muziek steeds harder en sneller. Dano: „Als mensen zo uit hun dak gaan, vraag je je af: hoe snel kunnen we gaan? Als die bas nog een tikje rauwer is, hoe vinden ze het dan? Het geluid stond loeihard. De ruimte vroeg erom, zo’n grote hal moest gevuld worden.”

Dano is negentien als hij – dan al drummer en gevierd radio-dj bij een etherpiraat – house ontdekt. In de zomer van 1989 mag hij verslag doen voor de jongerenpagina van een lokale krant van een avond in de Amsterdamse club Roxy. Eddy de Clerq draait. Hij verwacht er niks van, „al die bliepjes en blopjes” en slijpt zijn messen voor een scherpe recensie. Maar die avond wordt hij verliefd op platen als Can You Party (Can You Feel iiiiiiiit) van Royal House. Hij komt al snel tot inkeer. „Ik ging in de massa staan, ik heb alleen maar gedanst. Vier uur later kwam ik eruit, helemaal bezweet.”

Manic Monday

Niet lang erna begint Dano zelf met produceren: rauwe house, met filmsamples, vaak met dj/producer Dylan Hermelijn. In zijn radioshow spelen ze live baslijnen (Dylan) en beats (Dano) door de platen heen. Vier jaar lang heeft Dano elke maandag zijn eigen Manic Monday in de Amsterdamse club Mazzo, met Jeroen Flamman (later The Party Animals). Grootheden als Jeff Mills, Juan Atkins, Carl Cox en zelfs Moby blijven er langer voor rondhangen in Amsterdam.

De komst van dancebedrijf ID&T maakt begin jaren negentig van Dano een superster. Na het eerste Thunderdome-feest, in schaatsstadion Thialf op 3 oktober 1992, gaat het hard. In de biografie beschrijft Van Terphoven hoe een tram vol voetbalsupporters stopt met scanderen om Dano toe te roepen, als ze de dj met zijn dochtertje langs zien komen, op weg naar de crèche.

Als hij 23 is vliegt Dano de hele wereld over, tot in Australië waar zijn Dreamteam met limousines wordt ontvangen. Langzamerhand heeft hij steeds meer drugs nodig om alles vol te houden. Net als zijn muziek gaat zijn leven steeds harder, steeds sneller, tot hij het tempo bijna niet meer aankan. Dat gevoel verwerkte hij in zijn plaat 120-9000 BPM, waarin de beats worden opgeschroefd tot een grote ruis overblijft. „Het ging te snel, te hard”, zegt Dano nu.

Inspecteur Taks

„En toen viel ook nog die brief van de Belastingdienst op de mat.” Ene inspecteur Taks (geen grap) was eerder, in 1996, langsgekomen, nota bene op verzoek van Dano zelf. „Het concept ‘dj’ kenden ze bij de Belastingdienst niet. Maar ik dacht: die lantaarnpaal op straat, daar geniet ik ook van.” Dano had anderhalve ton aan platen, een sampler van 11.000 euro, maar geen bonnetjes. Van Terphoven: „Dano pakte er, doodeerlijk, zijn agenda vol boekingen bij.”

Het leverde hem een aanslag op van drieënhalve ton. Dano: „Het voelde alsof mijn benen werden afgesneden. Ik was echt verlamd.”

De periode waarin Dano al zijn platen verkoopt, zijn vriendin slaat, vreemdgaat, een relatie krijgt met de dochter van Patty Brard, intrekt bij een vriendin die een hoerenkast begint en op straat belandt, wordt in het boek uitvoerig beschreven. Heeft hij spijt? „Nee”, zegt Dano. „Dat heeft geen zin. Ik heb alleen spijt van de relaties die zijn stukgelopen, waaronder die met Sandra, de moeder van mijn oudste dochter, met wie ik vijftien jaar ben samengeweest.”

Dano dreigde meerdere malen de stekker uit zijn biografie te trekken. Vaak zat hij huilend tegenover Van Terphoven, drinkend en snuivend. Hij was bang voor de reacties, bang dat hij het niet meer wist. Van Terphoven: „Ik moest hem echt vasthouden en toen kenden we elkaar net! Hij zei ook steeds: heb je al wat? Stuur het nou! Echt niet, zei ik, we doen een leessessie.”

Dano vertelt dat zijn vriendin het boek in vijf uur heeft uitgelezen. „Maar zij wist alles al, zei ze. Mijn schoonouders daarentegen… dat wordt nog wel een dingetje.”

Waarom schreef Van Terphoven een boek over Dano, en niet over een van de andere gabberpioniers? „Simpel”, zegt hij. „Dano vertelt alles eerlijk en zijn leven was net even wat turbulenter dan dat van de rest.”

Wat de fok ouwe verschijnt 30 sept. bij Mary Go Wild. Die nacht draait The Dreamteam nog een keer in de Westerunie in Amsterdam met o.a. CJ Bolland en Miss Djax.