Recensie

Hoe cabaretiers op dezelfde grappen komen (en waarom dat niet erg is)

Ron Rijghard kijkt terug op het afgelopen cabaretseizoen. “Cabaretiers kiezen wel eens hetzelfde onderwerp voor hun voorstellingen en komen soms uit bij dezelfde grap.”

Lenette van Dongen

De meest gebruikte zin in het cabaret het afgelopen seizoen was waarschijnlijk „Daar moet een piemel in”. De verwensing, vorig jaar oktober uitgesproken door relschoppers in Steenbergen tegen een vrouw die voor opvangen van vluchtelingen pleitte, werd symbool van vluchtelingen- en vrouwenhaat. Onder meer Erik van Muiswinkel, Emilio Guzman en Ali B maakten er grappen over.

Hollandse dreigcultuur

Ook in NRC reageerde het merendeel van de columnisten op dit door „een horde lompe mongolen” (Ilja Leonard Pfeijffer) uitgesproken teken van de „Hollandse dreigcultuur” (Bas Heijne). Het duo Van der Laan & Woe tuigde al in de week van de Steenbergse protesten tegen een azc in het satirische programma De Kwis het Steenbergs Piemelkoor op, waarin de zin prachtig meerstemmig werd gezongen:

Het ging het afgelopen seizoen veel over de vluchtelingencrisis, maar ook over burn-outs, levensangst, de zin van het bestaan en de wil te veranderen. Grote thema’s die werden opgebouwd uit kleinere eenheden, waardoor je ook samen met de cabaretier in de supermarkt stond of op een yogamat lag. Er zijn talrijke raakvlakken tussen programma’s aan te wijzen.

Als een onderwerp veelbesproken is, kan het dan versleten raken? Dat hoor en lees je wel: dat een thema ‘uitentreuren’ is behandeld, ‘behoorlijk over de datum’, ‘afgegraasd’ of ‘belegen’ is. Ik twijfel. Ik ben geneigd te denken van niet. Het onderwerp heeft het niet gedaan. Wat je tegenkomt, is dat het cabaretiers niet lukt om er een frisse wending aan te geven of verrassende grap uit te peuren. Zelf schreef ik ten onrechte over de mislukkende vakantie als „een uitgesleten cabaretpad”. Het echte probleem was dat Eva Crutzen en Jasper Kuijk („slechte wifi”) er geen vuurwerk van wisten te maken. Terwijl een seizoen eerder Pieter Derks een hilarische sketch maakte van zijn problemen op het vliegveld.

Onderwerp van spot

De zin die me in dit verband het meest bijbleef, was van een collega die schreef over het debuut van Peter Pannekoek. Hij zou een stand-up comedian zijn (in Nederland een verwijt) die „veel modale grappen maakt over modale comedy-onderwerpen: relaties, vreemdgaan, porno kijken, homo’s, racisme, verschillen tussen man en vrouw, et cetera”. Alsof een onderwerp als racisme plots te sleets is om nog grappen over te maken. En moeten comedians geen grappen meer maken over relaties en homo’s? De god van de satire verhoede het.

Wat je van zo’n voorval leert is: comic minds think alike.

Evengoed kan je dan zeggen dat yoga, afwijkende kindernamen, biologisch eten of singer-songwriters geen onderwerp van spot meer mogen zijn. Yoga is raar gedoe met rare mensen. Singer-songwriters zijn aanstellers. Dat punt is wel gemaakt. Maar dat is het niet. Het is alleen dat een nieuwe invalshoek of een twist onontbeerlijk is. Lenette van Dongen slaagt daarin in haar programma Tegenwind met yoga. Ze doet haar yoga-oefeningen voor en maakt er slapstick met veel zelfspot van. Showing, not telling.

Wat ook werkt is een nieuwe context, demonstreerde Erik van Muiswinkel. Zijn referentie aan de piemel-yell kwam onverwacht. Zijn programma De Olieworstelaar bevat een sterke lijn over de vraag wat vluchten betekent voor een mens, ook in praktische zin. Het bracht hem tot een vijf minuten durende opsomming van zijn inboedel, tot aan alle stukken bestek en het gereedschap in zijn gereedschapskist toe: een van de sterkste nummers van dit seizoen. Hij stelt zich vervolgens voor hoe het zou gaan als een Hollands gezin zou vluchten in een bootje naar Lampedusa: met onvermijdelijke thermoskan en Potje met vet zingend. En als het brakke bootje dan lek slaat, zingen ze gezellig: „Daar moet een piemel in.” De Steenbergse piemel inzetten als kurk in een lek vluchtelingenbootje is een vrij briljante omkering van zaken.

Tegenin denken

Naar zulke toepassingen zoeken cabaretiers voortdurend. Cabaret is een vorm van ertegenin denken, tegen wat gemeengoed is en gemakzuchtig wordt geaccepteerd. Wat je als cabaretier niet wilt, is dat je uitkomt bij een tegengedachte die anderen ook hebben verzonnen. Dan is je methode te rechttoe-rechtaan geweest.

Het overkwam afgelopen seizoen Lebbis, Emilio Guzman en Van Muiswinkel, drie geëngageerde cabaretiers die zich uitspreken over de actualiteit, en zo alle drie reageerden op de bewering van protesterende burgers dat hun dochters niet meer langs het azc zouden kunnen fietsen zonder te worden aangerand. Zonder dat ze het van elkaar wisten, bedacht elk de grap dat het probleem omgekeerd is: kijk eens naar die meiden, wie durft ze tegenwoordig nog aan te spreken? Als je dat idee drie keer voorbij hoort komen in een tijdbestek van twee maanden dan is de eigen toon en persoonlijkheid van een cabaretier onvoldoende om het gevoel van herkenning te bestrijden. De eerste keer is leuk, de twee keer erna niet.

Spiegelen is van een andere orde dan het domweg stelen van grappen of letterlijke imitatie

Wat je van zo’n voorval leert is: comic minds think alike. Dat gevoel geeft ook het volgende voorbeeld. Twee jaar geleden maakte Theo Maassen in zijn oudejaarsconference een grap over de voorstanders van Zwarte Piet: „Mensen zeiden: er zijn veel meer mensen die er plezier van hebben dan die er last van hebben. Ja, dat is ook mijn argument voor groepsverkrachting.” Later zag ik dat Micha Wertheim in Wertheim voor Beginners (2006) al eens tot eenzelfde redenering was gekomen: „Meeste stemmen gelden, is heilig voor mij. Hoe kan het dat wij in Nederland wel democratisch zijn, maar groepsverkrachting nog steeds strafbaar stellen? Als er een voorbeeld is van meeste stemmen gelden, dan vinden we dat in de groepsverkrachting. Ja? Iedere politicoloog kan je uitleggen dat als een individu zijn normen en waarden oplegt aan de massa, dan is dat een potentaat in plaats van een slachtoffer.”

Gelijkgestemdheid

Wie de absurditeit van het principe ‘meeste stemmen gelden’ wil aantonen, komt kennelijk uit bij de groepsverkrachting. Het is natuurlijk mogelijk dat Maassen (of zijn co-auteur Tim Fransen) de grap al kende en leentjebuur speelt. Maar dan kun je zeggen dat Maassen de grap nieuw leven inblaast door hem niet op democratie toe te passen, maar als wapen in te zetten bij de discussie over Zwarte Piet. Hij doet er iets nieuws mee.

Hoe de werkwijze van comedians overeen kan komen, merk je niet alleen aan grappen, maar ook aan inleidende en verbindende opmerkingen, de smeerolie van de voorstelling. Zo zei de legendarische comedian Bill Hicks wel eens na een obscene grap: „Mijn moeder schreef deze.” Hans Teeuwen kondigde dit jaar in zijn programma Echte Rancune na een vuile grap over Dolf Jansen aan: „Maar dan moet je mijn moeder horen over Dolf.” Waarna er een nog vuilere grap volgde. Ook zei Hicks na wat politieke grappen wel eens: „Let me assure you – there are dick jokes on the way.” Hetzelfde deed Tim Fransen om zijn publiek gerust te stellen over zijn filosofische betogen. Het programma zou ook piemelgrappen bevatten, suste hij.

De eerste keer is leuk, de twee keer erna niet.

Het kan niet anders dan dat er patronen en gelijkenissen ontstaan in de onderwerpen die comedians kiezen en in de manieren waarop ze verhalen en grappen construeren. Dat is ook wat cabaretier Roué Verveer dit jaar zei in een interview met Trouw: „Natuurlijk maak ik wel eens een grap die al door iemand anders is gemaakt – comedians hebben doorgaans dezelfde denkwijze – maar ik heb er dan wel de Roué Verveer-draai aan gegeven.” Hij liet zich ook uit over het gebruik van hetzelfde onderwerp: „Toen ik een keer een paar goeie grappen over de bevalling van mijn vrouw ging doen, zei iemand: ‘O, een bevalling, dat is al zó vaak gedaan!’ ‘Klopt,’ zei ik, ‘maar de bevalling van mijn vrouw nog nooit.’”

Je kunnen spiegelen

Gelijkgestemdheid beperkt zich niet tot de tekst, het kan ook ontstaan in de toon of houding; in wat Freek de Jonge in een interview ooit de groove noemde: „Soms vertel je opeens een mop op de manier waarop Sonneveld een mop kon brengen. Of je staat op het toneel zoals Toon Hermans in bepaalde scènes op het toneel staat. Dat is het voordeel van onze gigantische cabarettraditie: je kunt je spiegelen.”

Wellicht spiegelde Van Muiswinkel zich bij zijn opsomming wel aan het klassieke nummer van Toon, waarin hij de ledenlijst van tennisvereniging Ons Genoegen voordraagt. En voor alle duidelijkheid: spiegelen is van een andere orde dan het domweg stelen van grappen of letterlijke imitatie. Dat bestaat ook, maar is veel minder interessant.

Er zit methode in de waanzin van de nar. Comedians betogen graag dat ze niet weten waar ze ‘het’ vandaan halen, maar humor is in wezen een kwestie van anders denken, van tegendraadse redeneringen, dubbelzinnigheden, omkeringen, twijfel zaaien. Het verbazingwekkende is dan ook niet dat er grappen zijn die op elkaar lijken of hetzelfde onderwerp hebben, het onvoorstelbare is dat er steeds weer nieuwe wegen worden gevonden om ons over hetzelfde te laten lachen.