Een schrijver is een schrijver. Geen regisseur

Gouden Kalveren De nominaties van de Nederlandse filmprijzen worden gedomineerd door boekverfilmingen. Hoe is het als schrijver om je boek verfilmd te zien worden?

Een filmstill uit Knielen op op een bed violen.

Voor de Gouden Kalveren zijn dit jaar bijna alleen maar boekverfilmingen genomineerd. Sommige schrijvers bewerkten zelf hun boek, anderen kregen een gastrol en een enkeling zag de film pas kort voor de première.

De boekverfilming is van oudsher een van de grootste constanten in de Nederlandse filmindustrie: een bekend boek levert publiek op voor de filmmaker en een extra filmeditie voor de schrijver. Dit jaar dingen bij de Gouden Kalveren onder meer mee: Publieke werken (naar Thomas Rosenboom), De helleveeg (A.F.Th. van der Heijden) Beyond Sleep (Nooit meer slapen, W.F.Hermans) en Knielen op een bed violen (Jan Siebelink).

Bekendheid is de belangrijkste reden om graag een boek te verfilmen. „Het verschilt nogal of je de filmrechten direct na verschijnen van een boek koopt, of als het al een publiek gevonden heeft. In dat laatste geval maak je een film voor de fans”, zei regisseur en scenarist André van Duren op het afgelopen weekend afgesloten festival Film by the Sea. Van Duren had een slechte ervaring met een schrijver die het scenario meelas. Toen hij Joe Speedboot van Tommy Wieringa zou verfilmen, eindigde dat in een rechtszaak. Een uitzondering, beklemtoont hij: „Adri van der Heijden, van wie ik De helleveeg heb verfilmd, staat op het standpunt dat hij zich nooit met de film bemoeit. Schrijven en filmen zijn voor hem twee verschillende dingen. Je boek loslaten is de beste strategie. Natuurlijk loop je het risico dat er iets mee gebeurt wat je niet wilt. Maar de boekverfilmingen van dit jaar zijn denk ik allemaal overeind gebleven.”

A.F.Th. van der Heijden bevestigt dat in een telefonisch gesprek: „Ik wil me er niet mee bemoeien en laat me graag verrassen door het eindresultaat. Het zijn twee verschillende kunstwerken, dus het heeft ook geen zin om de filmmaker te manipuleren richting boek of hem trouw te laten zweren aan het origineel.”

De schrijver wordt kijker

André van Duren kocht de rechten van De helleveeg al snel nadat het boek was uitgekomen. „Zelf het scenario schrijven versnelt het proces. Je weet wat je wilt zien. Elke alinea in het scenario is een shot in de film.” Van der Heijden bezocht wel de set. „Als toerist”, aldus Van Duren. „We hebben gefilmd in de wijk waar hij is geboren, in een huis dat nog helemaal in authentieke staat was. Daar was hij wel aangedaan over.”

Dat herkent Jan Siebelink, de schrijver van het semi-autobiografische Knielen op een bed violen ook. Siebelink kreeg zelfs een rolletje als klant in de bloemenwinkel die getuige is van vernedering voor zijn jongere zelf: „Dan zit je echt in de diepte van de tijd te kijken.” Ook bij het zien van de rest van de set was hij „wel een beetje ontdaan: alsof je een toeschouwer bent van je eigen jeugd”.

Siebelink moest soms even slikken bij het scenario. „De erotische gevoelens die de stervende vader heeft voor zijn aanstaande schoondochter, dat is er helemaal uit, ik heb ook wel gezegd dat ik het jammer vind. Verder gaf men vaak gehoor aan mijn aanwijzingen.”

Regisseur Menno Meyjes en romancier Jessica Durlacher schreven samen het scenario van de openingsfilm van het Nederlands Film Festival, De held. Durlacher: „Ze waren al vier jaar bezig om er een film van te maken. Er waren ook al scripts, maar die waren heel anders.” Meyjes: „Toen ik Jessica voor het eerst ontmoette, had ze een heel grote tas bij zich met een van die scripts met post-itmemo’s. Ik zei: ‘Doe dat maar weer weg. We gaan je boek doen!’” Durlacher: „Menno is natuurlijk de lezer van het boek, ik ben maar de schrijver, al werd ik tijdens het draaien ook weer de kijker. Hij had interpretaties waar ik nooit op gekomen zou zijn.”

Durlacher was elke dag op de set. Meyjes: „In Amerika is dat heel gewoon. Toen ik dus jaren geleden als scenarist met Steven Spielberg The Color Purple deed, zat ik er ook iedere dag bij. Hij vroeg me elke dag: ‘Did we sell it?’ Dat had ik ook wel een beetje met Jessica.” Ze moeten allebei lachen. Durlacher: „Het klinkt nu alsof het heel leuk is, maar het was natuurlijk bloody hell. We waren heel scherp en alert en hebben op de set nog veel veranderd. Elke dag waren er wel ‘blauwtjes’, herschreven pagina’s.”

Een persoonlijk boek, dus kwetsbaar

In Tonio schrijft A.F.Th. van der Heijden over de dood van zijn zoon. De film die Paula van der Oest en scenarioschrijver Hugo Heinen ervan maakten, wordt ingezonden als de Nederlandse kandidaat voor de Oscars. Van der Heijden omschrijft het als „van meet af aan een kwetsbaar project dat gelukkig in goede handen is geraakt”. Het was een heel ander proces dan bij De helleveeg: „Toen durfde ik gemakkelijker over bezwaren vooraf heen te stappen dan bij Tonio, waarbij ik al aarzeling had om het boek uit handen te geven. Dat was een emotionele beslissing. Ik heb daar natuurlijk ook, omdat zij daar een rol in speelt, Mirjam mijn vrouw in moeten kennen.”

Zij was als adviseur betrokken bij Tonio. Van der Heijden: „Misschien dat ik meer tegen een bezoek aan de set op zag dan tegen de eerste keer kijken naar de film. Deze film is wel een geval apart. Het boek houdt zich heel dicht bij de werkelijkheid op. En daar komt dan nog eens een film overheen. Er was niets wat ik niet herkende. Je kunt ernaar kijken en de esthetische kwaliteiten beoordelen en ervan genieten, maar er blijft natuurlijk altijd het emotionele slikwerk.”

Stem ook in NRC’s verkiezing van de beste film van de afgelopen vijf jaar

Hoewel regisseur Erik de Bruyn en coscenarist Jan Eilander nog wel een avond plaatjes gingen draaien met P.F. Thomése in de aanloop naar de verfilming van J. Kessels: The Novel, was er verder weinig overleg over het scenario. De Bruyn: „We moesten wel uitleggen waarom we de monologue interieur in dialogen hadden veranderd.”

Thomése, per mail: „Ik vind het allemaal zeer vermakelijk wat er met J. Kessels gebeurt. Dat ‘P.F. Thomése’ nu een begerenswaardige filmrol is geworden, waarmee een Gouden Kalf gescoord kan worden, had ik nooit durven dromen. Op het achterplat noem ik J. Kessels: The Novel ‘de novelisation van een B-film’. Ik ben Erik de Bruyn eeuwig dankbaar dat hij zo vriendelijk was deze film voor me te maken. Al had ik zelf een heel andere film in mijn hoofd. Maar om die te zien moet je het boek maar lezen. P.S.: Ik ben niet op de set geweest.”