Commentaar

De onmogelijk geachte coalitie levert een knappe laatste Miljoenennota af

nrcvindt

Wat vier jaar geleden nog maar weinigen voor mogelijk hielden, is dus toch gelukt. Een kabinet gebaseerd op twee programmatisch sterk uiteenlopende partijen die elkaar in 2012 tot aan de verkiezingsdag fel bestreden alvorens in sneltreinvaart een coalitie aan te gaan, sluit zijn bijna afgelopen regeerperiode af met een feestbegroting. De Prinsjesdagstukken tonen een optimistisch beeld en laten zien dat het voorgenomen beleid grotendeels is geslaagd.

Het kabinet kan met recht stellen dat Nederland de financieel-economische crisis achter zich heeft gelaten en weer vaste grond onder de voeten heeft gekregen, zoals koning Willem-Alexander in de Troonrede zei. De economie groeit, de consumptie neemt toe, de koopkracht voor nagenoeg iedereen verbetert, de werkloosheid daalt en het overheidstekort nadert de nul. Daarnaast kan het kabinet een paar ingrijpende hervormingen opeisen waar eerdere kabinetten niet toe in staat waren. Het taboe op de aftrekbaarheid van de hypotheekrente werd doorbroken, de pensioenleeftijd ging omhoog, en het financieel uit de hand lopende zorgstelsel ging flink op de schop.

Om dit te bereiken kon het kabinet niet zonder steun van andere partijen. Het bouwde voort op het ‘lenteakkoord’ uit 2012 dat steun kreeg van enkele oppositiepartijen en sloot zelf in 2013 het ‘herfstakkoord’ met de buitenstaanders D66, ChristenUnie en SGP. Een verbond dat nodig was omdat het kabinet van VVD en PvdA niet beschikt over een meerderheid in de Eerste Kamer.

Nederland maakte zodoende kennis met een nieuwe vorm van regeren waarbij op cruciale momenten sprake was van gelegenheidscoalities. Succes was niet bij voorbaat verzekerd. Maar het paradoxale resultaat is wel dat een op papier instabiel kabinet wellicht de geschiedenis in kan gaan als een van de grootste naoorlogse hervormers.

Daarvoor wordt het vooralsnog niet beloond. Getuige de wrevel in het land – de Troonrede zelf had het over „onrust” en „onbehagen” – levert een ‘juichbegroting’ nog geen juichend publiek op. Dat moet met verkiezingen en een kabinetsformatie in aantocht de huidige generatie politici te denken geven.

Dat partijen zich scherper gaan profileren ligt voor de hand. Maar de geloofwaardigheid vraagt ook wat. Het werkelijke verhaal is dat getuige de tot 2019 vastliggende politieke verhoudingen in de senaat in een volgend kabinet wellicht minstens vier partijen moeten samenwerken.

Partijen doen er dan ook goed aan de komende tijd niet al te hoge verwachtingen te wekken. Het levert achteraf alleen maar teleurgestelde kiezers op.