Zaterdagen

marcelroosmalen0

De nieuwe werkelijkheid van het gezinsleven openbaarde zich vooral op de zaterdagen, die anders dan vroeger om acht uur ’s morgens begonnen. We waren inmiddels zo ver dat het ons niet meer kon schelen wat we gingen meemaken, alles beter dan achter de kinderwagen naar Winkelplein Diemerplein en terug.

„Nou, wat is er allemaal te doen?”, vroeg de vriendin.

De ervaring leerde dat ik maar beter snel een beslissing kon nemen. „De Airborne-herdenking op de Ginkelse Hei is het enige”, zei ik.

Bij Ede begon de file. We werden ingehaald door een stationwagen die pas aan de kop van de sliert invoegde. Uit de auto voor ons kwam een middelvinger. „Nou, nou”, zei ik.

Even later dirigeerden vrijwilligers ons een kazerneterrein in het bos op waarvandaan pendelbussen vertrokken. We hadden meteen leuk contact met de mensen uit de Volkswagen Passat die naast ons parkeerde. Het waren Gerrit uit Wageningen, zijn schoonzoon Ben die de ogen iets te dicht bij elkaar had staan en diens zoontje die toevallig even oud was als onze dochter. Ze hadden geen idee wat er te doen was, het verwachtingspatroon was laag.

„Ik denk dat ze weer een paar van die veteranen uit een vliegtuig flikkeren”, zei Gerrit, die ons en passant tipte om de parkeerplaats op googlemaps te markeren met een speld.

In de pendelbus was het dringen en drukken met al die rollators en kinderwagens. De buschauffeur liet wat kinderen liedjes zingen door de microfoon.

Toen we eindelijk op de Ginkelse Heide waren uitgeladen, ondergingen we alleen nog maar. We sjokten over het zandpad, achter de rest aan, richting de witte tenten in de verte. Af en toe stopte iedereen, dan kwam er een Dakota over. Uit de luidsprekers in de natuur kwamen liedjes van toen: The Ink Spots, Fred Astaire en de onvermijdelijke Vera Lynn.

Een werkstudent verkleed als Unox-worst kwam ons tegemoet.

De Unox-worst zei: „Goedemiddag.”

„Help effe”, zei ik tegen de Unox-worst, want de wieltjes van de kinderwagen waren vastgelopen in het rulle zand. „Echt niet”, zei de Unox-worst. „Ik heb het hartstikke warm.” Daarna: „Maar dat hoort er nu eenmaal bij als Unox-worst.”

Bij de witte tenten hingen en lagen vooral mannen in kleren van toen. Een man in een blauwe overall met een oranje-armband zei dat hij een verzetsstrijder voorstelde. Hij liet zijn stengun zien en zei dat hij op zoek ging naar ‘moffen’.

De dag werd afgesloten in een pannenkoekenhuis bij Bennekom, waar er meer zaten zoals wij.

„Wat vond jij het leukst?”, vroeg de vriendin.

„Toch wel het gesprek met die Unox-worst.”

Toen we elkaar daarna aankeken, zag ik dat we het alletwee een goede zaterdag vonden.