Rijk? Of rijk én oud? Dan ga je er in 2017 op achteruit

Koopkracht Een kwart van de pensionado’s gaat er in 2017 in koopkracht op achteruit. Die mensen zijn niet zielig, zeggen Asscher en Klijnsma.

Beeld Roos Koole/ANP

Je zit als gepensioneerde in je bijna afbetaalde huis en hoort het koning Willem-Alexander zeggen: hoe „verheugend” het is dat de koopkracht stijgt voor iedereen, werkenden, mensen met een uitkering, ouderen.

Maar geldt dat dan ook voor jou: met een inkomen van net iets meer dan 45.000 euro per jaar, aan aow en aanvullend pensioen? Nee.

Van de uitkeringsgerechtigden en mensen die werken, gaat 95 procent erop vooruit. Maar bij de gepensioneerden ligt het anders: van die groep gaat 23 procent (ongeveer 412.000 mensen) erop achteruit. Dat zijn vooral ouderen met een vermogen vanaf zo’n 250.000 euro, bijvoorbeeld door een afbetaald huis, en die met inkomen bovenop hun AOW van meer dan 45.000 euro per jaar. De ‘rijke oudere’.

Op het ministerie van Sociale Zaken, met PvdA-minister Lodewijk Asscher en PvdA-staatssecretaris Jetta Klijnsma, zijn ze er laconiek over: die mensen zijn níet zielig.

Voor de VVD in Wassenaar of Blaricum, en misschien ook wel gewoon in Zandvoort aan Zee, is het een veel moeilijker verhaal om uit te leggen: een PvdA-verhaal. Maar net zo goed een verhaal van de VVD, als je bedenkt dat die partij graag een volkspartij wil zijn.

Uitzonderingen

Hoe zit het nu precies met de koopkracht? Het kabinet zegt: we besteden 1,1 miljard euro om de koopkracht te redden. Dat klopt en volgens de staatjes die het ministerie van Sociale Zaken nu presenteert, hebben alle inkomensgroepen daardoor volgend jaar meer te besteden. En anders dan bij de lastenverlichting van 5 miljard van vorig jaar, verbetert de koopkracht dit jaar niet alleen voor werkenden (1,1 procent), maar ook voor uitkeringsgerechtigden (1,1 procent) en gepensioneerden (0,7 procent). Maar er zijn uitzonderingen die níet profiteren – van sommige groepen gaat wel 10 procent erop achteruit.

Volgens het Centraal Planbureau neemt het kabinet zeven maatregelen die „negatieve koopkrachteffecten” hebben. Zo gaat de inkomstenbelasting voor middeninkomens met met 0,4 procent omhoog tot 40,8 procent. Voor huizenbezitters loopt de maximale aftrek van hypotheekrente al sinds 2014 met 0,5 procent per jaar terug. Dat maakt die lening opnieuw duurder.

Vermogensrendementsheffing

Wat rijke mensen vooral raakt, is de nieuwe vermogensrendementsheffing. Daartoe besloot het kabinet, met moeizame instemming van het parlement, al vorig jaar. Nu betaalt iedereen met een vermogen van meer dan 21.000 euro hetzelfde: 1,2 procent. Dat is 30 procent belasting over een verondersteld rendement van 4 procent. De lage rentestand van de laatste jaren maakt die rekensom onrechtvaardig.

In plaats daarvan komen er verschillen tussen lagere spaartegoeden en grote vermogens. Spaarders met een saldo tot een ton betalen minder vermogensbelasting, maar mensen met meer dan een ton op de bank of in een beleggingsportefeuille juist méér. Wie nu 1,5 miljoen aan vermogen heeft, betaalt daar straks ruim 20 procent meer vermogensbelasting over.

Van het oude sociaal-democratische begrip nivellering wil minister Dijsselbloem (Financiën, PvdA) niet spreken, zei hij dinsdag: „Wij noemen dat in het kabinet eerlijk delen.”