Cultuur

Interview

Interview

Onzekere scherpschutter

Interview Ethan Hawke

Tegen zijn gewoonte in is de acteur, bekend van ondermeer ‘Boyhood’, te zien in een onvervalste popcornwestern.

Ethan Hawke (45) heeft in tientallen films gespeeld, maar nooit eerder in een „echte Hollywood popcornfilm”. Nu wel. In de remake van de klassieke western The Magnificent Seven is hij een onzekere scherpschutter. „Het is een crowd pleaser”, zegt Hawke tijdens een persontmoeting. „Maar zulke films moeten er ook zijn.”

Voor Hawke is 2016 een druk jaar. Vier films gingen in roulatie in de VS. In jazzfilm Born to be Blue speelt hij trompettist Chet Baker. In Maggie’s Plan zet hij een New Yorkse intellectueel neer. In het onafhankelijke drama Maudie is hij de man van een kunstenaar. En nu dus The Magnificent Seven.

Waarom een popcornfilm?

„Ik wilde met regisseur Antoine Fuqua werken. Hij is nooit politiek correct. Hij is geen intellectueel maar een kunstenaar met een anti-autoritaire inslag. Al zijn films komen neer op een ‘fuck you’ tegen de autoriteiten. We bekeken samen Seven Samurai van Kurosawa, waar The Magnificent Seven op is gebaseerd. De legende sprak me aan. Onze cowboys zijn in het begin geen helden. Ze zijn egocentrisch, net als iedereen, maar ze wórden heldhaftig als ze zichzelf wegcijferen.”

Speelde je cowboytje als kind?

„Deze film was een jongensdroom én een volwassen droom. Ouder worden kent weinig voordelen, behalve de kans om in een Hollywood-western te spelen. We hadden 150 figuranten, vijftig paarden. Episch. En kijk eens wat Antoine terloops doet met huidskleur en diversiteit door een zwarte man de hoofdrol in een western te geven? Daar wilde ik bij zijn.”

U speelt vaak personages die bezwijken onder de verwachtingen van anderen.

„Dat vind ik interessant. Ik heb een documentaire gemaakt over een pianist met podiumvrees. De druk die mensen aan iemand kunnen opleggen kan leiden tot een gevoel van verstikking. Dat is heel menselijk. Je ziet dat ook in topsport. Maar je komt dat gegeven niet vaak tegen in een western, toch?”

U speelt Chet Baker zowel tijdens zijn opkomst, toen hij een James Dean-achtige verschijning was, als bij zijn neergang als dakloze heroïneverslaafde. Lastig?

„Tijdens de opnamen keek ik elke ochtend naar zijn laatste concert. Hij was op dat moment zo mooi. Zijn schoonheid was gebaseerd op zelfvertrouwen. Maar hij had demonen die hem tot zijn dood hebben achtervolgd. Zijn levensverhaal past in het genre van de jazzfilm, met klassiekers zoals Let’s Get Lost, Bird, Round Midnight en Mo’ Better Blues. Ik wilde met die passie een jazzfilm maken. Ik oordeel in de film niet over Chets verslaving. We kennen allemaal mensen die naar drugs en alcohol grijpen om hun verwarring en pijn te bestrijden. Mensen met een enorm zelfvertrouwen op een bepaald gebied, zoals Chet Baker in jazz, kampen vaak met onzekerheid op andere vlakken. Juist als je succesvol bent, kan dat heel lastig zijn.”

Gaat u in meer popcornfilms spelen?

„Daar ligt niet mijn grootste ambitie. Ik hou van films die je, zoals recensente Pauline Kael ooit schreef, het gevoel geven dat je niet alleen bent in het universum, dat je vrienden hebt die je nog niet eens hebt ontmoet.”