Column

Maatschappelijk werker

‘Hoe gaat het nu met je?”, vroeg ik aan een kennis die ik een poosje niet gezien had. Uit dat ‘nu’ sprak enige oprechte bezorgdheid, want de laatste keer dat we elkaar spraken, was hij nogal somber geweest. Hij kreeg allerlei fysiek ongemak waarover hij licht filosofisch zei: „Op den duur wordt alles erger.”

We gingen op een terrasje zitten en keken naar het voorbij flitsende verkeer, waarvan je in Amsterdam kunt zeggen: „Op den duur wordt alles drukker.” Hij stelde het antwoord op mijn vraag nog even uit en bestelde koffie bij een serveerster, die jong genoeg was om ons als een versie van haar grootvader te beschouwen.

Toen zei hij tot mijn niet geringe verbazing: „Het gaat eigenlijk wel redelijk goed.”

„Zo mag ik het horen”, mompelde ik. „Wat is er gebeurd?” Ik betrapte me op de nare gedachte dat om een of andere reden iemands tegenspoed interessanter is dan zijn voorspoed.

„Ik loop tegenwoordig bij een maatschappelijk werker”, zei hij, „en die heeft me er weer aardig bovenop geholpen.”

Ik keek hem verbluft aan. Een maatschappelijk werker? Dat leek me nou wel de laatste vluchtheuvel voor iemand met zijn nogal sceptische levenshouding. Maatschappelijk werkers waren voor hem altijd vage wezens geweest, overbodige bewoners van de Nederlandse welvaartsmaatschappij, om wie je vroeger meewarig moest lachen als Jan Blokker ze in zijn columns op de hak nam.

„Ik zal het je uitleggen”, zei hij.

De medici hadden hem ‘uitbehandeld’ verklaard, wat betekende dat hij het verder zelf maar moest uitzoeken. Eén arts had hem naar het maatschappelijk werk doorverwezen. Zo belandde hij op een zomerse ochtend in een kamertje van een groot kantoor tegenover een maatschappelijk werker. Het was een ‘zij’, wat misschien geholpen had, want hij hield wel van vrouwen, soms zelfs gevaarlijk veel.

„Ze liet me rustig mijn verhaal doen”, zei hij. „Ik merkte al snel aan haar vragen dat ze goed luisterde. Het waren niet zozeer kritische, maar onderzoekende vragen. Ik liep helemaal leeg, alsof ik drie borrels te veel op had. Toen ik uitgepraat was, begon ze op een terloopse manier naar details te vragen.

‘U zei dat u slecht slaapt, maar hoeveel slaapt u precies?’, vroeg ze. Dat bleek toch nog gemiddeld zes uur per nacht te zijn. Dat vond ze voldoende; een mens heeft aan zes uur genoeg. Ik zei dat allerlei lichaamsfuncties achteruitgingen en dat ik daar somber van werd. Ze vroeg hoeveel ik bewoog. Ik antwoordde dat ik een uurtje per dag fietste en elke week naar de fitness ging. Dat vond ze ‘geweldig’. Wist ik wel hoeveel leeftijdgenoten mij dat niet meer konden nazeggen?”

Hij nam een slokje van zijn koffie. „Toen begon ze over mijn vrijwilligerswerk. Hoeveel tijd me dat kostte. Algauw tien uur per week, rekende ik uit. En ik vond het nog leuk ook, constateerde ze. Dat was waar. Zo ging ze nog een poosje door. Ze liet me zien wat er nog wél deugt aan mijn lichaam en mijn leven. Sommige kwalen blijven, dat moet je aanvaarden, maar in plaats van daarover steeds te somberen kun je je beter richten op datgene wat nog wél functioneert. Dat was haar boodschap.”

„En nu ook de jouwe”, stelde ik vast.

„Zo kun je het stellen”, zei hij. „En hoe gaat het met jóú?”