Begrotingsbeleid van kabinet Rutte II verdient lof, maar blijft onvoltooid

nrcvindt

Het had mogelijk kunnen zijn, een begrotingsbalans in 2017. In plaats daarvan presenteert het kabinet-Rutte II deze dinsdag een tekort van 0,7 procent van het bruto binnenlands product. Een lastenverlichting van 5 miljard euro, die vorig jaar werd doorgevoerd, en 2,5 miljard euro aan extra uitgaven dit jaar zorgen er samen voor dat een begrotingsbalans niet wordt bereikt. Zonder die extra maatregelen zou er, de economische effecten ingecalculeerd, wellicht een nul hebben geprijkt op de begroting voor 2017.

De vraag wordt steeds meer gesteld of dat had gemoeten. Het antwoord is in wezen: ja. Dat Rutte II, met de verkiezingen in maart 2017 in het vooruitzicht, nu enige soepelheid betracht is politiek begrijpelijk. Het begrotingstekort is teruggebracht van 3,9 procent in 2012 tot 0,7 procent nu. De staatsschuld – mede te lezen als een schuld die toekomstige generaties op zich moeten nemen ten bate van de huidige, is van 67 procent gedaald tot 61 procent. Dat is een bijzondere inspanning die onder lastige politieke omstandigheden is verricht.

Maar tegelijk zijn de huidige economische omstandigheden ook optimaal. De 1,7 procent economische groei in dit en volgend jaar zijn aannemelijk zo’n beetje het beste wat in de huidige wereldeconomie voor Nederland mag worden verwacht. Dat alles wordt geschraagd door een uitzonderlijk en revolutionair monetair beleid dat de rentes op de staatsschuld extreem laag houdt.

Sterker nog: ruim tweederde van de Nederlandse staatsschuld heeft een negatieve rente, die vroeg of laat in verminderde rentelasten zichtbaar wordt. De woningmarkt vaart er intussen wel bij.

Een begrotingstekort van 0,7 procent op de top van de conjunctuur is zo bezien zo bijzonder niet. De uitvoering van het Europese Stabiliteitspact mag dan gebrekkig zijn geweest, de achterliggende gedachte was en is degelijk: streef naar een begroting die onder normale omstandigheden in evenwicht is. Zo hoeft er bij een volgende economische neergang niet meteen te worden bezuinigd, maar kan de begroting als een ‘automatische stabilisator’ worden gebruikt. Die economische tegenvallers zullen komen, dat is geen kwestie van of, maar van wanneer.

Intussen ontstaat langzamerhand wel de ruimte voor nieuw beleid. Dat zou zich vooral moeten richten op het aantrekkelijker maken van arbeid, zowel voor de werknemer als voor de werkgever. En hoewel de overheid niet per definitie de beste keuzes kan maken voor toekomstige investeringen, kan Nederland zowel zijn nationale als internationale plicht doen om de achterstand bij het invoeren van alternatieve energie goed te maken. Ook dat is verstandig beleid voor de lange termijn.