Wij roeien ruggelings naar later

marjoleinedevos0

De vrouw tegenover me gaat dood. Ik ook natuurlijk, maar ik verbeeld me dat ik voorlopig nog niet aan de beurt ben. Zij kan zich dat niet meer verbeelden. De uitzaaiingen zitten overal in haar lichaam, zegt ze. Haar lever was enige tijd geleden zo groot dat ze nauwelijks nog kon zitten, ze had zo’n pijn, iedereen dacht dat ze ertussenuit zou knijpen.

Maar ze leeft. Sterker: ze ziet er heel goed uit. Niet ‘nog’ – „Aan dat woord heb ik zo’n hekel gekregen”, zegt ze. „Mensen zouden nooit tegen je moeten zeggen: je ziet er ‘nog’ goed uit.”

We zitten aan het water van de Gouwzee, op het terras van Huis aan het Water, een centrum voor leven met kanker. Het water weerkaatst het zonlicht, je kunt ver kijken – de natuur kan soms heel zinnebeeldig zijn.

Maar de vrouw kijkt niet naar dat uitzicht. Ze vertelt over haar twee kinderen die haar nog nodig hebben, over hun vader van wie ze zo pijnlijk gescheiden is en die vrijwel uit hun leven verdwenen is – hoe zal het met hen gaan? Ze heeft foto-albums gemaakt, had ze nog nooit gedaan. Ze heeft een film gemaakt voor haar kinderen, opdat ze haar nog kunnen zien en horen straks: „Vaak hoor je dat ze na een tijdje niet meer weten hoe je stem klinkt.”

Even breekt ze. Maar ze herneemt zich snel. Ze praat en ze praat. Ze stroomt over. Ik denk aan die regels van Vasalis, over het los moeten laten op het einde en daar niet in slagen: ‘Ik heb mezelf nog van geen ding bevrijd/ en er is haast geen tijd meer over.’

Ze praat tegen de dood, die moet horen dat ze nog niet weg kan, voorlopig nog niet, dat er mensen zijn die van haar houden, dat ze dat heel fijn vindt, dat ze haar werk met passie, dat woord gebruikt ze, met passie deed. Ze was verpleegkundige. Op een mamapoli, de afdeling waar vrouwen met borstkanker komen. Ze wilde verpleegkundig specialist worden, ‘ik wilde darmkanker erbij gaan doen’.

Ja, ze werkte altijd heel hard. Ze had het zo druk, haar kinderen hadden problemen, daardoor sliep ze vaak slecht, ze had helemaal niet in de gaten dat ze iets had, zegt ze. Ze had al eens borstkanker gehad, maar was genezen. Dat ze zo moe was schreef ze toe aan haar werk, aan stress. Dat ze de trap bijna niet meer op kon was aanleiding om haar conditie te gaan verbeteren: hardlopen, fietsen. Op het laatst kreeg ze bijna geen lucht meer.

Onderzoeken aan hart en longen wezen niets uit – prima conditie had ze. „Ik had natuurlijk een botscan moeten laten maken”, zegt ze, alsof de vrouw van toen had moeten weten, moeten zien wat er aan kwam. Maar daar dacht die vrouw nu juist niet aan. Tot de val dichtklapte.

Van de week hoorde ik Nicolaas Matsier in een interview op De Correspondent zeggen dat wij allemaal als het ware „in een doodvrije ruimte” leven. De dood is elders. Niet bij ons. Tot hij er ineens wel is: in Matsiers geval omdat zijn vrouw bloedkanker kreeg.

Hij haalde in dat gesprek ook aan wat Frans van Hasselt, oud-correspondent van deze krant, ooit schreef: dat de Grieken de toekomst beleven als iets dat achter ons ligt. We zien hem niet. Wij roeien ruggelings naar later. Ergens daar achter je, je weet niet waar, zal het gebeuren.