Sober, beklemmend en onverbiddelijk

Ivo van Hove maakt van Couperus’ drama een psychologisch griezelsprookje met veel ijzersterke rollen

Scène uit ‘De dingen die voorbijgaan’ Foto Jan Versweyveld

Stel je zo’n huis voor, zo’n oud, krakend huis, somber van herinneringen. Verdriet heeft de kamers gevuld; de klok tikt treurige minuten weg. En de bewoners wachten gewillig op het einde. Het is wonderlijk, maar in de fraaie machinehal Zweckel in Gladbeck creëren Jan Versweyveld en Ivo van Hove met een licht, ruim en transparant decor van glas en witte tegels precies die drukkende sfeer. Berouw, dat voel je er. Levenslang, beschimmeld berouw. En angst.

Slachtoffers

Als de klok slaat schuifelen stijf twee in het zwart gestoken figuren naar voren. Eindeloos duurt het, tot ze voor ons staan, en met hen de volle omvang van het verdriet. Dit zijn ‘de oude mensen’ uit de roman van Louis Couperus: Ottilie Dercksz en haar vriend Emile Takma, beiden ver in de negentig. Maar de dingen uit de titel gaan niet voorbij. Couperus toont hoe hun misdaad: de moord op haar man, en het consequentiële schuldgevoel en zwijgen, de familie nog twee generaties later ontwricht.

Alle gezinsleden die slachtoffer werden zijn op toneel aanwezig, langs de rand van het speelvlak gezeten, elk in hetzelfde stemmige zwart. Allemaal wachten ze tot het voorbij gaat, maar het duurt voort: door hun leed lijden ook hun kinderen, en hún kinderen. Soms klonteren ze bij elkaar en trekken als een spookstoet door de ruimte. Deze spoken uit het verleden doden elke hoop.

Even lijkt kleinzoon Lot (Aus Greidanus jr.) daaraan te kunnen ontsnappen. Hij is 38, in de greep van de lethargie en van zijn behoeftige moeder (Katelijne Damen). Met de 15 jaar jongere Elly is er voor hem een sprankje hoop. Op hun huwelijksreis smeren ze elkaars naakte lijven in met slagroom en champagne op de klanken van Nina Simone’s Wild is the wind. Maar daar duikt de spookstoet alweer op, om Lot op te eisen. Hij erft hun verdriet, daar is geen ontkomen aan. Knap, hoe Van Hove Couperus’ subtiele psychologie vertaalt in een gothisch griezelsprookje à la Edgar Allen Poe. Zonder die psychologie teniet te doen.

Ontnomen kindertijd

Fraai voorbeeld daarvan is Harold, gespeeld door Hans Kesting. 73 jaar, maar emotioneel 13 gebleven. Op die leeftijd zag hij wat zijn moeder en Takma deden. Dat trauma heeft hem gevormd, het zwijgen heeft hem vermorzeld. Zijn kindertijd is hem ontnomen, en erkenning blijft uit. Kesting maakt dat zichtbaar in zijn opgetrokken schouders en gekromde rug: een verschrompelde grote man is hij, een stokoud kind. Pas als Emile en Ottilie dood zijn, is dat kind bevrijd. Het huppelt door de ruimte, even.

Zo zijn er meer mooie rollen. De te gulzig naar liefde hunkerende Damen. De inwendig gekwelde maar uiterlijk kordate Ina, dochter van Harold (Maria Kraakman). Het deemoedige dienstmeisje Anna (Janni Goslinga). Frieda Pittoors is prachtig als oma Ottilie, die grimmig wacht op straf van gene zijde. En Gijs Scholten van Aschat transformeert verbluffend tot bibberige 90-jarige met openhangende mond en angstige, rode ogen; de zestig jaar oude moord nog altijd op het netvlies.

Bewerker Koen Tachelet, die bloemrijke maar levende toneeltaal aan Couperus onttrok, had wat personages mogen schrappen. Maar het verstoort nauwelijks de impact van dit zwaarmoedige drama: sober, beklemmend en onverbiddelijk.

Lot krijgt het laatste woord, als zijn huwelijk al is gesneuveld. Het is nog niet te laat zegt hij, terwijl hij wegzinkt in witte rook, hij kan nog iets van zijn leven maken. Maar in zijn ogen vlucht de hoop voor het kille besef van zelfbedrog. Mooi.