Waarom migrantenjongeren vaker delicten plegen

Criminaliteit Niet de cultuur uit het land van herkomst maakt migrantenjongeren vaker crimineel. Het is de migrantenstatus zelf, blijkt uit onderzoek van het Verwey-Jonker instituut .

De gemeenschappelijke ruimte van een jeugdgevangenis. Foto Ilvy Njiokiktjien

Het is zo vaak herhaald dat het een feit lijkt: jongeren met een Antilliaanse, Turkse of vooral een Marokkaanse achtergrond zijn boefjes. Ze plegen meer delicten dan jongeren zonder migrantenachtergrond. De verklaring van dat verschil werd lang gezocht in de herkomstcultuur van de (veelal) jongens: afwezige Antilliaanse vaders, de gezagscrisis in Marokkaanse gezinnen, de gewelddadigheid van culturen in oostelijk Europa. Verder leefde de indruk dat het probleem in Nederland veel groter was dan in andere westerse landen.

Beide opvattingen kloppen niet, Beide opvattingen kloppen niet, zegt Majone Steketee, directeur van het Verwey-Jonker instituut, dat het onderzoek voor het Kennisplatform Integratie en Samenleving uitvoerde. De studie maakt deel uit van een groot internationaal onderzoek dat maandag is gepubliceerd. Bijna 70.000 jongeren uit dertig landen namen eraan deel.

Maar jongeren met een Marokkaanse, Antilliaanse of Turkse achtergrond plegen toch relatief veel delicten?

Steketee: „Het klopt dat er meer criminaliteit is onder migrantenjongeren; jongeren die zelf in het buitenland zijn geboren of ten minste één van hun ouders. Maar er blijkt geen relevant verschil tussen de groepen migranten. Ook westerse migrantenjongeren, uit bijvoorbeeld Oost-Europa of zelfs uit onze buurlanden, zijn relatief vaker delinquent.”

Hoe komt het dan dat deze jongeren oververtegenwoordigd zijn in de statistiek?

„Uit het onderzoek blijkt dat de verklaring niet ligt in de specifieke cultuur van de jongeren, maar in hun migrantenstatus. Migrantenjongeren komen relatief vaak in situaties die het risico op crimineel gedrag vergroten. In het onderzoek is gekeken naar bekende theorieën voor de verklaring van de hogere criminaliteit onder migrantenjongeren. Migrantenjongeren en niet-migrantenjongeren hebben evenveel last van de bekende risicofactoren voor crimineel gedrag: slechte buurten met veel armoede, veel doorstroom en slechte sociale cohesie; verkeerde vrienden; weinig betrokkenheid bij ouders en school, gebrekkig ouderlijk toezicht; en – op het persoonlijk vlak – een al dan niet aangeleerd gebrek aan zelfcontrole.

„Migrantenjongeren krijgen vaker met deze risico’s te maken. Het enige verschil met niet-migrantenjongeren is dat ze wat lager scoren op zelfcontrole, en dat ze positiever tegenover geweld staan. Dat zou je een cultureel verschil kunnen noemen.”

Geldt dat voor alle landen die aan het onderzoek hebben meegedaan?

„Ja. In alle landen, voornamelijk Europese, plegen migrantenjongeren vaker delicten, en zijn de delicten ook ernstiger. Dat geldt voor alle groepen, tot onze verrassing ook voor migrantenjongeren met een westerse achtergrond. Zij zijn relatief vaak betrokken bij vandalisme, wapenbezit en mishandeling.

„Een grote uitzondering zijn Aziatische jongeren. Dat is zó interessant. Die zijn in crimineel gedrag heel vergelijkbaar met autochtone jongeren.

Is dat dan geen cultureel verschil?

„Dat zou kunnen. We zijn nu bezig met de opvolging van dit onderzoek. Daarin proberen we te achterhalen wat hiervan de oorzaken zijn. Ook kijken we naar de invloed van de schaamtecultuur waaruit Aziaten komen.

„Opvallend is trouwens dat migranten met een Marokkaanse achtergrond in Nederland op geweld relatief laag scoren ten opzichte van andere migrantengroepen. Maar wellicht heeft deze groep, die ook een schaamtecultuur kent, niet alles gemeld. Dit onderzoek was gebaseerd op zelfrapportage: op wat jongeren zelf zeggen over hun delinquente gedrag.”

Verschilt Nederland van andere landen?

„Niet erg. Wel opvallend is dat niet-migrantenjongeren in Nederland wat hoger scoren op criminaliteit dan in andere landen. Onze jongeren vertonen relatief veel delinquent gedrag.”

Moet dit onderzoek gevolgen hebben voor de aanpak van jeugdcriminaliteit?

„Ja. Een jaar of twintig geleden was de Nederlandse aanpak – anders dan in veel omringende landen – erg gericht op culturele verschillen, met een per herkomstgroep afgestemde benadering. Dat is de afgelopen jaren, onder Rutte, losgelaten. Op zich is dat terecht, omdat de factoren die tot jeugddelinquentie leiden voor alle jongeren gelijk zijn. Maar het is doorgeschoten.

„Nu wordt in de hulp aan deze jongeren nauwelijks rekening gehouden met hun achtergrond. Terwijl migrantenjongeren veel vaker in achterstandswijken wonen, én moeite hebben te wortelen in de Nederlandse samenleving. Migrantenouders zouden hulp moeten krijgen bij de begeleiding van hun kinderen. Ze hebben veel vragen over controle en communicatie met hen.

„Daarnaast moeten migrantenjongeren normale kansen hebben op een goede opleiding en banen. Daarvoor schiet de algemene aanpak tekort. Discriminatie op de arbeidsmarkt blijft een probleem. Er komen steeds migranten bij. Als we niets doen, praten we over tien jaar mogelijk over Syriërs zoals we nu over Marokkanen spreken.”