‘I due Foscari’ is onbekende maar wel heerlijke Verdi

Giuseppe Verdi was niet helemaal tevreden over zijn opera I due Foscari (1844). Drie jaar na de première in Rome schreef hij aan zijn librettist Francesco Piave dat de opera „een te ongevarieerde toon bezit”. Een kaskraker is het in elk geval niet geworden, maar mede dankzij het zendingswerk van Plácido Domingo staat deze vroege Verdi weer in de spotlights. En dankzij de ZaterdagMatinee klonk het stuk nu ook weer eens in Nederland, in het Concertgebouw.

Ís I due Foscari ook ‘mindere’ Verdi? Nee. En al wás dit zijn ondergrens (is het niet), dan nog lag die jaloersmakend hoog. Onderscheidende vondsten zijn schaarser dan in de latere hits, maar ze zijn er wel, zoals aan het begin van de tweede akte: een vervreemdende samenspraak tussen altviool en cello. Verder is het heerlijke grand opéra met grote koren. Het verhaal over de plichtsgetrouwe Venetiaanse doge Francesco Foscari die zijn zoon moet verbannen en niets doet om hem te redden, leverde ontroerende en schrijnende aria’s op.

Het Radio Filharmonisch en het Groot Omroepkoor stonden onder leiding van Giancarlo Andretta, die voor een overtuigende spanningsopbouw zorgde. De ronde klank van de strak en fel spelende trombonesectie was een lust voor het oor en ondanks veel tussentijds applaus hield Andretta er de vaart in. Helemaal voortreffelijk was de cast. Tenor Roberto De Biasio straalde als zoon Jacopo, de uithalen van sopraan Tamara Wilson (Lucrezia) maakten diepe indruk.