De nuance van een bord pap

Opinie Iedereen heeft wel een mening. Maar kan iedereen ook oordelen? In een alternatieve troonrede pleit filosoof Coen Simon voor een Inburgeringscursus Oordeelsvorming – voor alle volwassenen.

Illustratie Ruben L. Oppenheimer

Buitengewone leden der Staten Generaal

Op een ochtend ruilde ik mijn dagelijkse yoghurt met muesli in voor pap, havermoutpap.

Met nieuwsgierigheid en afschuw sloegen mijn kinderen mijn dampende bord gade. De jongens spraken al snel hun oordeel uit: ieuw! Gadverdamme! Mijn dochter bleef nieuwsgierig, ze wilde het wel eens proberen. Niet meteen, maar misschien morgen. De dagen erna nam ze af en toe een hap van mijn pap. „En?”, vroeg ik dan. „Wel, maar ook niet lekker”, aarzelde ze. Maar toen ze laatst al voor de tweede ochtend achtereen een eigen bord pap nam, zei ze: „Ik snáp de smaak nu.”

Ik was onder de indruk van haar verklaring en van haar volharding te blijven proeven aan iets waarover ze duidelijk ambivalente gevoelens had. Dit proeven besefte ik, was in feite een heel minutieuze oordeelsvorming.

Volgens de Duitse filosofe Hannah Arendt staat de ontwikkeling van smaak, van wat we lekker of mooi vinden, aan het begin van een politiek oordeel. En bij dit politieke oordeel moet u niet alleen denken aan het uitbrengen van uw stem, maar aan de manier waarop u reageert op de zwartepietendiscussie, opvang van vluchtelingen, euthanasie, orgaandonatie, kunstsubsidie, kinderopvang, de positie van vrouwen op de arbeidsmarkt, iPadscholen en op de invloed van vloggers op de openbare ruimte. Kortom, al die overwegingen die u tot burger maken.

Oké, maar hoe komen we van de smaak van pap tot burgerschap? Over smaak valt immers niet te twisten en over euthanasie bij minderjarigen wel. Nou, dat is dus precies de misvatting volgens Arendt. En ze verwijst naar de beroemde Duitse Verlichtingsfilosoof Immanuel Kant. „Über den Geschmack lässt sich streiten (obgleich nicht disputieren)”, schreef deze in 1790 in zijn Kritik der Urteilskraft. Wel twisten dus, maar niet argumenteren. Met andere woorden: we kunnen met objectieve bewijzen nooit gelijk krijgen in onze smaak, maar we kunnen wél twisten over smaak.

Als we iets mooi vinden is dat weliswaar een subjectief gevoel, dat voor iedereen persoonlijk is, maar als we het zoals Kant dit noemt belangeloos mooi vinden, dan kunnen we ervan uitgaan dat anderen dit ook zo zouden kunnen zien. Als je er een belang bij hebt, bijvoorbeeld omdat het iets is dat mooi bij de bank kleurt, of omdat het iets is waarmee je je honger kunt stillen, of omdat je er aanzien mee meent te kunnen verwerven, dan kun je er niet van uitgaan dat een ander hetzelfde gevoel erbij heeft. Dan heeft argumenteren geen zin, maar twisten evenmin. Die laatste mogelijkheid is er dus wel in de gevallen dat we iets menen te waarderen om wat het op zichzelf is.

Door te praten over hoe we kijken, kunnen we een ander met onze eigen blik laten kijken. Kant noemde dit menselijke vermogen sensus communis, letterlijk gemeenschappelijk zintuig, het zintuig waarmee we als het ware allemaal tegelijk de werkelijkheid waarnemen. Dit zintuig, schrijft hij, „is het minste dat mag worden verwacht van iemand die aanspraak maakt op het predicaat mens”.

Voor veel gedrag hebben we dit zintuig niet nodig. Net als dieren komen we een heel eind met geluiden en gebaren: daarmee kunnen we vrij aardig onze behoeftes kenbaar maken, en blijk geven van angst en opwinding. Maar juist waar het menselijk wordt en we met elkaar willen praten, kunnen we niet zonder dit oordeelsvermogen.

Terug naar de pap. Anders dan de wat dierlijke reacties van mijn zoons (ieuw! gadverdamme!) veronderstelde mijn dochter, alleen al omdat ik het spul eet, dat er een manier zou kunnen zijn om het lekker te vinden. Ze had duidelijk bedenkingen, maar ze deed, zoals dat werkt bij onze sensus communis, een beroep op haar verbeeldingskracht om zich een voorstelling te maken van mijn proeven. Vandaar ook haar opmerking toen ze daar blijkbaar in slaagde, dat ze de smaak snapte.

„De natuurlijke talenten van een mens kunnen beperkt zijn”, schrijft Kant, „maar hij geeft blijk van een verruimde geest als hij de subjectieve particuliere omstandigheden waaronder zijn eigen oordeel tot stand komt – en waarin zoveel anderen gevangen blijven – negeert, en hij er vanuit een algemeen gezichtspunt over nadenkt.”

In een lezingencyclus die Hannah Arendt in 1970 gaf over Kant vat zij het gemeenschappelijk zintuig in drie stelregels samen:

denk voor jezelf, verplaats je in gedachte in een ander, en denk altijd in overeenstemming met jezelf. Je volgt, kortom, niet meteen je eigen afschuw of die van een ander, maar je verloochent deze ook niet door onmiddellijk in te stemmen met bijvoorbeeld het genoegen dat je vader ergens blijkbaar in schept.

Hoe staat het ervoor met deze stelregels in onze publieke ruimte? Hoe staat het ervoor met ons gemeenschappelijk zintuig?

Er wordt wel heel veel gepraat. Of eigenlijk geschreven en gelezen. Wie zich ooit om ontlezing zorgen heeft gemaakt kan nu toch zijn lol op, met de smartphone en de sociale media: #mondaymotivation, #zaandam, #dobberneger #twitterontploft. Net als de discussie over ontlezing alleen over het aantal letters ging en niet over wat er werd gelezen, zo wordt er nu ook wel gedacht dat de sociale media een democratiserend effect hebben omdat nu iedereen kan worden bereikt en iedereen zelf kan zenden. Maar is deze nieuwe infosfeer, zoals de techniekfilosoof Luciano Floridi onze gedigitaliseerde wereld noemt, de gematerialiseerde versie van Kants sensus communis? Hebben we nu niet dat gemeenschappelijk zintuig dat mensen tot mensen maakt?

De Zaanse vlogger Ismail Ilgun geeft het antwoord op deze vraag als hij een cameraploeg van Hart van Nederland te woord staat met zijn vlogcamera draaiend in zijn hand. „Ik hoef geen reactie op jouw camera te geven. Ik krijg meer views op mijn camera dan op jouw camera. En nou mijn buurt uit.”

Zonder sensus communis, zonder je te willen verplaatsen in de blik van de ander is een mening geen oordeel, maar een ongereflecteerde uiting die ons, aldus Kant en Arendt niet van het dier onderscheidt (ieuw! gadverdamme! vind ik leuk!)

„Het enige algemene kenmerk van de waanzin is het verlies van de sensus communis en de daarvoor in de plaats tredende eigenzinnigheid (sensus privatus)”, waarschuwde Kant. Deze waanzin regeert anno 2016.

Als medicijn tegen de waan van de sensus privatus pleit ik voor een inburgeringscursus voor iedere volwassen Nederlander. Zo’n cursus klinkt misschien even krachteloos en weinigbelovend als taskforce mantelzorg, maar het gaat om een bijzondere inburgering. Niet een inburgering die ervan uitgaat dat een minderheid in een dominante cultuur moet integreren, maar een inburgering die beoogt dat alle leden van de publieke ruimte zich als burger gedragen door bij hun oordeelsvorming rekening te houden met de drie stelregels van de sensus communis: durf te denken, durf te proeven, vertrouw je eigen smaak. De cursus mag wat mij betreft beginnen met een wijnproeverij.

Moge u vanuit uw persoonlijke overtuiging inspiratie en kracht vinden voor uw verantwoordelijke mening. Sapere aude. Ik wens u daarbij Gods zegen toe. Appeltjes, peertjes, pruimpjes amen.