Column

Albee en zijn critici

Er zijn weinig schrijvers geweest die zo’n problematische relatie met hun critici hebben gehad als de afgelopen vrijdag overleden Edward Albee (spreek uit: Olbi). Met die kritieken en zijn boze reacties erop zou een proefschrift kunnen worden gevuld.

Een herhaalde observatie van zijn critici was dat Albee in zijn toneelstukken personages opvoerde die als hetero vermomde homo’s waren. Dat verwijt ergerde hem zeer. Hij was weliswaar openlijk homo, maar hij wilde niet bekend staan als homoschrijver. Ook over zijn toneelstuk Who’s Afraid of Virginia Woolf? is vaak beweerd dat de personages, twee heteroseksuele echtparen, eigenlijk vier homoseksuelen zijn.

Hij ergerde zich om twee redenen, zei hij in 1966 in The Paris Review tegen zijn interviewer William Flanagan (destijds tevens zijn minnaar): niemand had hem ooit gevraagd of het waar was, en geen criticus had een poging gedaan de bewering te staven aan de hand van de tekst. „De feiten zijn eenvoudig: het stuk gaat over twee heteroseksuele stellen. Als ik een stuk over vier homoseksuelen had willen schrijven, had ik dat wel gedaan.”

Over zijn critici zei hij: „Ze lijken homoseksuelen onder elk bed te vinden, inclusief hun eigen bed. Ik maak me grote zorgen over ze.”

De kritiek kwam niet van de minsten. Zo beweerde schrijver Philip Roth dat het toneelstuk Tiny Alice in feite „een homoseksuele dagdroom” was. „Ik heb zijn artikel met de nodige morbide interesse gelezen”, reageerde Albee, „en het bewijst weer eens dat veelbelovende schrijvers niet per se goede critici zijn. Feit is dat de hysterie van meneer Roth van hemzelf is en geen basis in de feiten heeft.”

Sommige kritieken uit de jaren zestig hadden een ronduit antihomoseksuele inslag. Criticus Robert Brustein rook een „masochistisch-homoseksueel luchtje aan The Zoo Story, Howard Taubman van The New York Times noemde zulke toneelstukken „ongezond”. Taubman wees zijn lezers op „verborgen homoseksuele boodschappen”, bijvoorbeeld „een afschuwelijke echtgenote die van het huwelijk een gruwel maakt”.

Richard Schechner, hoogleraar drama, laakte Who’s Afraid om „zijn morbide en seksuele perversiteit, alleen bedoeld om een impotent en homoseksueel publiek te prikkelen.”

Als je zulke reacties na zoveel jaar terugleest, rijst onwillekeurig de vraag: hoe hield hij het schrijven vol? Daarover zei hij: „Om mijn werk te blijven doen, ben ik niet afhankelijk van erkenning. Ik herinner me niet dat ik bitter ben geworden, of gedesillusioneerd. Ik heb te veel ego.”

Misschien bleef hij ook staande omdat hij nooit veel illusies over de mens heeft gehad. „Er is niemand die niets wil”, laat hij een van zijn personages zeggen, waarmee hij, aldus Bruce Weber in The New York Times, bedoelde dat eigenbelang een universele, noodzakelijke, onweerstaanbare en giftige macht in het moderne leven is. In het antieke leven trouwens óók, vrees ik.

Zijn personages dwalen rond in een mist van zelfbedrog. „Al mijn stukken gaan over mensen die de boot missen”, zei hij in een interview in 1991. „Ze haken te jong af, ze hebben op het einde van hun leven spijt van de dingen die ze niet gedaan hebben, tegenover de dingen die ze wél gedaan hebben. Ik vind dat de meeste mensen te veel tijd verspillen door te leven alsof ze nooit zullen sterven.”

Frits Abrahams