‘Ik had graag in haar plaats in die trein gezeten’

Ángeles Pedraza (58) verloor twaalf jaar geleden haar dochter bij de aanslagen in Madrid. ‘Het verdriet wordt alleen maar erger. Bij iedere aanslag beleef ik alles opnieuw.’

©

‘Nog steeds vraag ik me iedere dag af waarom Myriam vermoord moest worden. Met haar dood kwam er een einde aan een gelukkig leven. Het was in één klap voorbij. Sindsdien ben ik een ander mens. Het verdriet zit heel diep van binnen. Met de jaren wordt dat alleen maar erger. Je kind verliezen is het ergste wat je kunt overkomen. Bij iedere aanslag beleef ik alles opnieuw. Zoals bij de schietpartij in het Bataclan-theater in Parijs. Je weet precies wat er daarna met de nabestaanden gaat gebeuren. Alsof de film weer aan je voorbij trekt. Ik hoop dat de daders wegrotten in hun cel.”

Voor Ángeles Pedraza (Montilla, 1957) is 11 maart 2004 de zwartste dag van haar leven. Haar 25-jarige dochter komt met 190 anderen om het leven als in verschillende treinen in Madrid bommen ontploffen. Het is een van de zwaarste terroristische aanslagen in Europa ooit.

Pedraza vertelt haar verhaal in het kantoor van de organisatie voor slachtoffers van terrorisme in Madrid. Ze beantwoordt vragen in korte zinnen. Het kost haar nog altijd moeite over haar dochter te praten. „Myriam woonde onder mij. Ze kwam ’s avonds bij mij een koffer halen. Ze zou een weekendje naar Londen gaan. Dat was de laatste keer dat ik haar zag. Ze zat zo vol leven. Ze was getrouwd, wilde kinderen. Ineens was ze er niet meer. Ik had graag in haar plaats in die trein gezeten.”

Pedraza kan zich nog elke minuut herinneren van de rampzalige dag. Als ze in haar auto stapt op weg naar haar werk in het warenhuis El Corte Inglés hoort ze via de radio dat op het spoor van de hogesnelheidstrein een explosie heeft plaatsgevonden. Ze maakt zich dan nog geen zorgen, omdat haar zoon en dochter niet met de hogesnelheidstrein reizen. Al snel wordt duidelijk dat het om een aanslag op meerdere treinen gaat.

Op haar werk is iedereen in rep en roer. Totale paniek maakt zich meester van velen. „Als eerste probeerde ik mijn dochter te bellen. Haar mobieltje ging over, maar werd niet opgenomen. Mijn zoon kreeg ik wel aan de lijn. Javier reisde altijd samen met Myriam van Calle de Téllez naar Atocha, maar had zich verslapen.”

Uren achtereen bevindt Pedraza zich tussen hoop en vrees. Ze is gescheiden; met haar ex-man heeft ze al jaren geen contact meer. Met familieleden maakt ze een rondgang langs ziekenhuizen in Madrid en daarbuiten. Maar een spoor van Myriam vindt ze niet. Iedere keer als er een bericht komt over een jonge, gewonde vrouw veert ze op. Al weet ze eigenlijk dan al dat Myriam er niet meer is. „Ik denk dat moeders een zesde zintuig hebben. Als het mis is, voel je dat.”

Om half vier in de ochtend wordt de dood van Myriam bevestigd. Als haar naam in de zaal met nabestaanden wordt omgeroepen weet iedereen genoeg. Pedraza is omringd door vele anderen, maar ze heeft zich nog nooit zo alleen gevoeld als toen.

„Je wilt het niet geloven. Je kúnt ook niet geloven wat er is gebeurd. Niemand had dit voor mogelijk gehouden. Natuurlijk kende Spanje door de ETA een verleden van terroristische aanslagen. Maar dit was anders. Nu werden studenten getroffen. En mensen die gewoon naar hun werk gingen. Dit was simpelweg niet te bevatten.”

Vlak na de aanslagen wijst de Spaanse regering van de conservatieve premier José Maria Aznar naar de ETA. Maar jihadisten blijken de bommen te hebben gelegd. Een paar dagen later verliest de Partido Popular van Aznar de verkiezingen van de socialisten. „Verschillende partijen wilden kiezers over de ruggen van slachtoffers bedonderen. Het maakte mij persoonlijk weinig uit wie mijn dochter had vermoord. Daarmee kreeg ik haar toch niet terug. Ik heb wel voor het eerst mijn stem uitgebracht. Dat had ik aan Myriam beloofd. Zij had zelf een paar dagen eerder per post gestemd. Haar stem telde zo nog mee.”

Twee weken later stapt Pedraza in dezelfde trein als die waarin haar dochter had gezeten. „Dat verplichtte ik mezelf. Want je moet verder. Waar ik de kracht vandaan heb gehaald weet ik niet. Ik ben katholiek opgevoed. Ik heb God gevraagd om een reden. Maar een antwoord kreeg ik niet. Het geloof in God heb ik daardoor grotendeels verloren. Ik geloof niet in een leven na de dood. Ik heb geen idee waar Myriam nu is. Ze is weggegaan en zal nooit meer terugkeren.”

Pedraza volgt het proces van de verdachten vier maanden lang van zeer nabij. „Ze hebben bijna tweehonderd mensen vermoord. Wat zijn ze ermee opgeschoten? Helemaal niets. Die gasten zitten nu allemaal in de cel. Ik voel een diepe haat tegen ze. Als ik het zou kunnen, zou het me geen enkele moeite kosten ze te doden. Ze hebben willens en wetens mensen afgemaakt. Ze verdienen het dood te gaan in hun cel. Toch denk ik dat er meer schuldigen zijn. Jongeren radicaliseren niet van de ene op de andere dag.”

Met de aanslagen van Madrid begon volgens Pedraza een nieuw tijdperk.

„Spanje stond er na de aanslagen alleen voor. Van solidariteit van andere Europese landen was weinig sprake. Alsof het vooral een Spaans probleem betrof. Dat is een grote misrekening geweest.” Pedraza denkt dat dit tijdperk uiteindelijk leidt tot de destructie van Europa. „Ik heb altijd gevreesd dat 11 maart 2004 niet op zichzelf zou staan. Pas na de aanslagen in Frankrijk en België zijn de ogen geopend. Kostbare tijd is verloren gegaan. Overal zijn netwerken opgebouwd. Er zullen nieuwe aanslagen komen. Ook hier in Spanje.”

Als mensen er niet zelf bij betrokken zijn, verdwijnt het gevoel van angst weer snel, zegt Pedraza.

„Zo zitten mensen in elkaar. Maar als het je zelf treft, staat je hele leven op zijn kop. Sommigen huilen iedere dag. Gunnen zichzelf geen enkel pleziertje meer. Anderen zwijgen het liefste. Verstoppen het. Zoals mijn zoon. Die heeft er tien jaar lang met geen woord over gesproken. Het lijkt wel alsof hij zich schuldig voelde over de dood van Myriam. Zo ben ik hem ook een beetje kwijtgeraakt.”

Pedraza wil niet zwijgen. Ze wil juist haar verhaal kwijt. Ze schrijft in 2005 samen met de Spaanse schrijver Gabriel Ruiz Fuentes het boek Myriam fue uno de ellos (‘Myriam was een van hen’).”

„Voor mij is ze altijd 25 jaar gebleven. Ik denk vaak aan wat er van haar geworden zou zijn. Ze had net een huis gekocht. De toekomst lag open. Vooral op haar verjaardag en met Kerst is het heel erg moeilijk. Haar stoel blijft altijd leeg. Op 11 maart leggen we altijd bloemen voor haar neer op de plek waar ze is overleden. Nee, niet bij het monument van Atocha. Dat zit ergens weggestopt op een plek waar niemand het kan vinden. Alsof we ons moeten schamen. Het zegt veel over hoe Spanje met zijn slachtoffers omgaat.”

Pedraza is de afgelopen jaren, als voorzitter van de organisatie voor slachtoffers van terrorisme, het gezicht geworden van de nabestaanden van ‘11 M’. Het is hard werken. „Kijk eens hoe de Verenigde Staten met hun slachtoffers omgaan. Daar zijn de doden van 11 september 2001 allemaal helden. Hoe anders is dat hier. Hier moeten we strijden voor erkenning. Voor een beetje hulp. Ik probeer anderen te helpen waar ik kan. Ik ben naar Brussel geweest. Naar Colombia. Ik vind het verschrikkelijk dat leden van de FARC nu weg lijken te komen zonder straf. Zo wordt terrorisme beloond. Daders moeten altijd boeten voor wat ze anderen hebben aangedaan.”

Pedraza treedt terug als voorzitter als ze voor de tweede keer baarmoederhalskanker krijgt.

„Opeens moest ik een hele andere strijd voeren. Toch denk ik dat het ene met het andere te maken heeft. Zwaar lijden is nooit goed voor een mens. Met mijn dochter om me heen zou het allemaal makkelijker zijn geweest. Niemand kan Myriam ooit vervangen.”