Eerst Luttelgeest, en dan de wereld overnemen

Sophie Zijlstra (1967) schrijft romans via een historische omweg. Zo voorzag zij een slachtoffer van de Drentse treinkaping van een voorgeschiedenis (Potifars vrouw, 2010). Ook maakte zij in 2012, aan de hand van een roei-episode, een portret van Margot, de zus van Anne Frank. Het meest geslaagd is nog altijd haar debuut, uit 2007, over mevrouw Couperus, die een tijdlang niet kon lopen en door een psychiater weer op de been werd geholpen.

Ook haar vierde roman, De verlossing van Liesbeth Bede, staat niet helemaal op zichzelf, hoe woest avontuurlijk en onrealistisch ook. Zijlstra treedt in de voetsporen van George Eliot die in 1859 Adam Bede schreef, over een Engelse timmerman. Het leven van zijn moeder was helemaal gewijd aan zijn opvoeding. Deze moeder, Liesbeth Bede, wordt hier, anderhalve eeuw later, tot nieuw leven gewekt. Zij mag voor de verandering de hoofdrol vervullen. Dat wordt er bij de lezer ook nogal ingewreven omdat zij steeds bij haar volledige naam wordt genoemd, al met al wel een keer of vijfhonderd. Op de achtergrond dartelen twee zoontjes rond, die Adam en Elliot heten.

Ook al speelt de roman in een andere tijd en in het Nederlandse dorp Luttelgeest, de zorg voor de kinderen komt nog steeds neer op de moeders, terwijl de vaders fulltime werken. Liesbeth Bede zou graag wat meer tijd hebben voor haar schrijfwerk, maar om zich in het dorp te kunnen handhaven moet ze de leefstijl volgen van ‘volvorijders en chardonnaymoeders’.

Des te verrassender dat precies in deze nette buurt, vol dubbel geparkeerde Hummers, Range Rovers en bakfietsen, een geheim vrouwengenootschap doende is de macht over te nemen. Eerst Luttelgeest, later de rest van de wereld. De mannen zullen in de toekomstige ‘gynocratie’ geen rol meer spelen – en op den duur zelfs helemaal verdwijnen. Zij hebben, zoals een van de dames koeltjes meedeelt, ‘hun kans gehad’.

Ik weet niet wat George Eliot ervan gevonden zou hebben, maar er gebeuren rare dingen in deze 21ste-eeuwse dorpssaga. Jongens worden gediscrimineerd. Spermacellen worden genetisch gemanipuleerd om de geboorte van meisjes te bevorderen. En er wordt jacht gemaakt op Pakistaanse mieren die zichzelf kunnen klonen – dat zouden de vrouwen van het genootschap ook wel willen. Ook mag een woord als ‘mandarijn’ niet gebruikt worden omdat het ‘synoniem staat aan onderdrukking van de vrouw als mens’, zoals een feministische taalkundige het weinig soepel uitdrukt.

Ergens halverwege raakte ik vooral benieuwd naar de uitkomst van deze eigenaardige queeste. Geluk en wijsheid voor iedereen? Een betere wereld? Een strenge, maar rechtvaardige vrouwendictatuur? Maar er is geen uitkomst, omdat Zijlstra’s heldin erachter komt dat zij de mannen bij nader inzien nog niet kwijt wil. Zij vertrekt dus uit Luttelgeest. En laat ons achter met de gebakken peren: een net iets te platte emancipatiegeschiedenis, met net iets te weinig kop of staart.