Winnen is: op de zwartste dagen optimistisch blijven

Op wie moet je letten om Den Haag te begrijpen? Deze week: een Democratische topstrateeg over taal en tactiek in campagnetijd (en over Hillary). Ofwel: enige universele observaties voor koning en kabinet aan de vooravond van Prinsjesdag.

©

Met de Troonrede op komst, Jean-Claude Junckers State of the Union achter de rug, en een waggelende Hillary Clinton in beeld, moest ik deze week geregeld terugdenken aan Bob Shrum. Bob Shrum (1943) is waarschijnlijk de invloedrijkste Democratische taalsmid van na de oorlog. Een speechschrijver die zich opwerkte tot politiek strateeg en bijna alle grote Democraten sinds de jaren zestig bijstond – de Clintons, een paar Kennedy’s, Jimmy Carter, Al Gore, John Kerry, etc.

Bob Shrum gaf vorm aan de symboliek en de retoriek van progressief Amerika - en dus van de progressieve beweging wereldwijd. Ik bezocht hem deze zomer in Los Angeles. We dronken koffie in het Beverly Hills Hilton Plaza, en spraken over de kunst van een goede campagne. Over politieke taal, populisme, en zijn vertrouwensrelatie met Democratische kopstukken. Dus ook over Hillary en Bill, die hij adviseerde op het dieptepunt van de Whitewater- en Lewinsky-affaire.

Volgende week bereiken we in Den Haag een volgend stadium in het seizoen van het vertoon: Troonrede, Miljoenennota en Algemene Beschouwingen als campagnemomenten. Het interessante was dat Juncker, met zijn State of the Union, deze week in staat was alle wetten van de politieke toespraak te overtreden. In zijn eerste zin herinnerde hij eraan dat hij vorig jaar al zei dat de Unie er niet goed voorstond. In zijn tweede zei hij dat het behelpen blijft. Het was geheel in strijd met Shrums politieke levensles: juist in tijden van tegenslag hoort een leider over vooruitgang en verlangen te spreken.

Hij werd er in de VS befaamd mee: toen Ted Kennedy in 1980 de voorverkiezingen van Jimmy Carter verloor, zodat de kans op een nieuwe Kennedy als president vervloog, schreef hij een vlammende speech voor Teddy, met één van de invloedrijkste oneliners van de moderne politiek: The hope still lives, and the dream never dies.

Optimisme is de kunst

Zelfs op de zwartste momenten optimistisch blijven – dat is volgens Shrum de kunst. Rutte II slaagde daar de laatste jaren ook in, al zal Den Haag dit de komende maanden graag willen vergeten.Shrum vertelde me over de intense week die hij in 1997 doorbracht met Bill Clinton toen hij, in het hart van de Lewinsky-affaire, zijn politieke leven met een State of the Union moest zien te redden.

Zoals Juncker deze week somber begon, zo waren er volgens Shrum destijds ook Clinton-adviseurs die zeiden: „Begin met je problemen”. Shrum was er faliekant tegen. „Dan had niemand meer over iets anders gepraat.”

Dus boetseerden hij en Bill een tekst waarin ze nederigheid over de Lewinskyzaak (seks met een stagiaire) combineerden met nieuwe ambities. „Mensen moesten na de speech denken: deze man kan nog steeds onze president zijn”, zei Shrum. „En het lukte.”

Hij leerde die dagen ook het weerstandsvermogen van Hillary Clinton kennen. Zij had hem eerder ingehuurd toen ze in de problemen kwam door een belegging in Arkansas (Whitewater), hoewel bekend was dat ze Shrum niet mocht. „Het typeert haar pragmatisme”, zei Shrum licht spottend.

In 1997 speculeerde de wereld over het einde van zijn presidentschap - en het einde van hun huwelijk. En Bob Shrum zag hoe Hillary Clinton binnenskamers opereerde. Puur rationeel, puur analytisch. „Echt slim, héél slim”, zei Shrum. „Ze had een kalmerende invloed op ons allemaal.”

De politieke essentie

In essentie, legde hij me uit, draait alle politieke presentatie, en elke campagne, om optimisme. „Ik bekijk elke campagne door die bril”, zei Shrum. „Who owns hope?” Want hoe negatief campagnes vaak ook zijn: hoop wint vrijwel altijd. Voorbeelden te over. Reagan 1984: Morning in America. Bush jr. 2000: Compassionate conservatism. Bill Clinton 1992: The man from Hope. Obama 2008: Hope.

Die laatste vond Shrum aanvankelijk te plomp. „Mensen moeten niet denken dat het een trucje is”, zei hij. „Dus je moet het niet zeggen maar aantonen.” Obama bleek een meester met taal – al berustte een van zijn meest geciteerde teksten, van de Democratische Conventie in 2004, op puur toeval, verklapte Shrum me.

There’s not a liberal and a conservative America. There’s the United States of America, zei Obama daar. In zijn concept, dat Shrum als Kerry’s adviseur inzag, stond een passage over verlangen naar Amerikaanse eenheid die woordelijk overeenkwam met tekst die Kerry ook wilde uitspreken. Shrum vroeg Obama dat te wijzigen. „Hij had niet het egocentrische van zoveel politici”, vertelde Shrum. „Hij zei: oké, ik bedenk wel iets. Dat hebben we geweten.”

Van dit jaar – Make America great again met Trump; Stronger together met Clinton – weten we de uitkomst natuurlijk nog niet. Maar als je Shrums redenering naar Nederland vertaalt, zie je het manco van onze politieke symboliek meteen: vaag. Op Prinsjesdag zullen we worden overladen met optimisme. Ik ken de tekst van de Troonrede niet, maar niemand moet opkijken van woorden als ‘ommekeer’ en ‘omslag’. Zo’n optimistische toon kán aanslaan, je weet het niet.

Tegelijk opereren de twee politici met het scherpste profiel dubbelzinnig. Rutte is de geboren optimist maar zoekt winst met onderbuikvocabulaire: „Pleur op”. Wilders sombert het hele jaar maar is evengoed cynisch: verkiezingsprogramma op één A4tje. Jesse Klaver en Gert-Jan Segers spreken openlijk over hoop - maar onhelder is of zij bepalend worden.

Dirty tricks

Ook in de VS ligt het niet kraakhelder: zo vaardig als ze optimisme brengen, zo voortreffelijk kunnen ze elkaar afbreken. Ook Shrum heeft zijn ervaringen met dirty tricks. Zo bedacht zijn vriend en toenmalig zakenpartner James Carville (die later Bill Clinton president maakte) in de jaren tachtig een manier om het drankverleden van een Republikeinse opponent te openbaren. Hij liet lekken dat Shrum er een advertentie over had gemaakt, die hun klant, een Democratische gouverneur, uit ethisch oogpunt weigerde uit te zenden. Twee vliegen in één klap. „Ik was erg boos op James. Maar het werkte.”

En in 2004 kreeg Kerry na een blunder (Ik stemde vóór voordat ik tegen was) van Bush jr. het etiket flipflopper opgeplakt; een woord dat Shrum zelf eerder groot had gemaakt. „Ik kreeg terug wat ik geoogst had”, zei hij.

Binnen de Democraten bezet Shrum de populistische flank: indachtig de erfenis van de Kennedy’s bepleitte hij al in 1988, als adviseur van Michael Dukakis, dat zijn partij zich tegen de groeiende vrijhandel onder Reagan keerde. „Ik wilde bescherming van onze werknemers.” Shrum bedacht er een slogan bij: For the people, not the powerful. De Clintons zagen er, met hun zuidelijke gematigdheid, niets in. Dit ging zelfs zo ver dat Bill Clinton hem belde vlak voor de conventiespeech waarop zijn vicepresident Al Gore in 2000 de kandidatuur aanvaardde. Shrum werkte ook voor Gore. „De president was bang dat het één en al populisme zou worden. Toen heb ik hem de speech alvast stiekem voorgelezen.”

Gore hield zich redelijk in, en een van de wonderen van 2016 is dat Shrums thema, en daarmee ook het verzet van de gewone man tegen de gevestigde orde, terugkeerde in het hart van de politiek.

Bernie Sanders raakte de snaar, Hillary volgde, intussen keerde ook Trump zich tegen vrijhandel. „Krankzinnig voor een Republikein”, zei Shrum.

Vooruitkijkend naar 2017 staat in Nederland hetzelfde dilemma op de agenda. De meeste kiezers willen een rem op vrijhandel, maar dat belemmert de groei: scepsis is een prachtig campagnestandpunt, en een onhandig regeringsstandpunt.

„Ik denk”, zei Shrum, „dat links wereldwijd duidelijker de kant van de gewone man moet kiezen”.

Het gaat in politiek nu eenmaal om de dubbelslag, zei hij: optimisme en hoop. „En als links niet meer opstaat tegen gevestigde belangen, biedt het geen hoop meer.”