Wereldleiders mogen niet ziek zijn

Ziek Politieke leiders houden hun medische problemen het liefst geheim. Maar meer openheid, ook over geestelijke gezondheid, kan geen kwaad, meent David Owen.

Donderdagavond pakte Clinton na drie dagen rust haar campagne weer op, op een bijeenkomst in North Carolina. Foto Andrew Harnik/AP

‘Ik ben senator geweest voor New York en ik weet wat voor enorme impact 9/11 heeft gehad op de stad. Daarom wilde ik per se bij de herdenking zijn, ook al had de dokter gezegd dat ik niet moest gaan omdat ik een longontsteking heb. Nu blijkt dat de dokter het bij het rechte eind had en dat ik me heb vergist. Maar ik vond dat ik erbij moest zijn.”

Dit is wat Hillary Clinton had móeten zeggen toen ze onwel werd tijdens de herdenking van ‘11 september’, zegt David Owen, neuroloog en voormalig Brits minister van Buitenlandse Zaken. „Clintons optreden is opnieuw een tragische vergissing in de manier waarop politici omgaan met hun gezondheid’’, zegt hij in een telefoongesprek. „Als je niet open en oprecht bent over je gezondheid, komt het veel harder terug dan het onderwerp waard is.’’

Die openheid nu is onontkoombaar. Het persoonlijke leven van politici is zichtbaarder geworden. De pers laat zich minder makkelijk voor de gek houden. Er zijn, met de sociale media, meer ogen die meekijken. In het verleden was het veel gemakkelijker om gezondheidsproblemen af te schermen, zegt Owen. De arts-politicus schreef er een boek over: In Sickness and in Power: Illnessess in Heads of Government during the Last 100 Years. Zijn samenvatting:

„Het is één groot verhaal van leugens en geheimhouding.”

Leiders moeten uitstralen dat ze fit zijn, opgewassen tegen de spanningen van hun functie. Een goede gezondheid is „een strategische en tactische imperatief’’, schrijft de onlangs overleden Britse politicoloog Michael Foley in Political Leaderschip, zijn standaardwerk.

Daarom lopen politici soms zo energiek een trapje op. Daarom liet Silvio Berlusconi als premier weten dat hij zo gezond eet dat hij „bijna onsterfelijk” is. Daarom liet Mao zich zwemmend en Ronald Reagan zich paardrijdend en houthakkend fotograferen. En ontblootte Vladimir Poetin de borst toen hij ging paardrijden en op berenjacht ging.

Beroemde snor

Ziekte is zwakte. Vele Amerikaanse presidenten, onder wie Lincoln, Woodrow Wilson en Franklin Roosevelt, hebben geprobeerd medische problemen geheim te houden. Toen bij president Grover Cleveland in 1893 mondkanker werd geconstateerd, organiseerde hij een ‘pleziertochtje’ met het jacht van een vriend waarop hij werd geopereerd. Een deel van zijn kaak werd vervangen, maar de chirurg wist Clevelands beroemde snor intact te houden, zodat bijna niemand iets in de gaten had. Reeds als presidentskandidaat in 1960 had John F. Kennedy ernstige medische problemen, die met succes verborgen werden gehouden.

En toen bij president Mitterrand kort na zijn aantreden in 1981 prostaatkanker werd geconstateerd, wist hij dat jarenlang geheim te houden – terwijl hij bij zijn aantreden juist openheid beloofde.

In een enkel geval hielden artsen zelfs informatie achter voor hun patiënt. In december 1941 kreeg Winston Churchill, op bezoek in Washington net na de aanval op Pearl Harbour, een lichte hartaanval. Een verrekte spier, hield zijn lijfarts, Lord Moran, hem voor – op zo’n cruciaal moment, schreef Moran in zijn memoires, was Churchill de enige die ervoor kon zorgen dat de VS hun afzijdigheid in de strijd tegen Hitler zouden opgeven.

In de VS is het na Reagan gewoonte geworden voor presidentskandidaten om informatie te geven over hun medische dossier. Obama deed dat in 2008, net als zijn tegenstander John McCain, toen 71 jaar, die een dossier van ruim duizend pagina’s publiceerde.

Eerder was het eigenlijk alleen Dwight Eisenhower die open was over zijn gezondheid. Toen die in 1955 in Colorado een hartaanval kreeg, maakte hij daar geen geheim van. „Hij bleef voor herstel drie weken in Colorado en ging niet terug naar Washington”, zegt Owen. „Want, aldus Eisenhower, niemand wil een kreupele in het Witte Huis.”

Tekst gaat verder na de video:

Iconische baard

Dat ziekte als een teken van zwakte wordt gezien, kan ook tegen vijanden worden gebruikt. De CIA had een plan om de zwemkleren van Fidel Castro te besmetten met een schimmel die vreselijke huidziektes veroorzaakt. En voor een gif waardoor Castro’s iconische baard en wenkbrauwen zouden uitvallen. Dit bleef bij plannen, maar in 2004 is iets vergelijkbaars uitgevoerd in Oekraïne. Oppositieleider Viktor Joestsjenko werd in tijd van grote politieke spanningen getroffen door een merkwaardige ziekte die de huid van zijn gezicht zwaar aantastte. Later werd duidelijk dat hij met dioxine was vergiftigd.

Is het voor een vrouw belangrijker om te laten zien dat ze lichamelijk fit is? Moeten vrouwen meer bewijzen? Lucia Annunziata, hoofdredacteur van de Italiaanse editie van de Huffington Post, vreest dat dit nog steeds het geval is. Toen Hillary Clinton door de knieën ging, schreef ze: „In één keer is het oude idee van het zwakke geslacht weer terug.” Maar de politicus-arts Owen wil daar niet aan.

„Het zwakke geslacht? Ik geloof eerder dat het omgekeerd is. Kipling zei het al: het vrouwtje in de dierensoort is gevaarlijker dan het mannetje.”

Cultuurverschillen zijn er wel. In de VS, volgens Le Monde „een land waar alles moet worden gezien en gezegd’’, wordt van een politicus meer openheid gevraagd dan in de meeste Europese landen. Beroemd is het „Et alors?”’ (Nou en?) van Mitterrand toen hem werd gevraagd naar zijn buitenechtelijke dochter. Ook in Nederland is er in vergelijking met de VS minder aandacht voor, zegt Henk te Velde, auteur van een boek over Nederlandse politieke leiders. „Ik ken niet meteen gevallen van een politicus die ernstig ziek is geworden”, zegt hij desgevraagd.

„En ik denk ook niet dat er een issue van zou zijn gemaakt. Bij ons gaat het toch meer om de politieke persoonlijkheid.’’

Waarbij aangetekend moet worden dat Nederland, in tegenstelling tot veel andere landen en met uitzondering van Colijn in de jaren dertig en Drees in de jaren vijftig, relatief jonge politieke leiders heeft gehad.

Het is wel paradoxaal dat in de VS nu „mensen langs de gezondheidslat worden gelegd die de pensioengerechtigde leeftijd al gepasseerd zijn’’, zegt Te Velde. „Bij mensen van zeventig vind je altijd wel wat.” En David Owen, nu 78, zegt dat kiezers bij oudere kandidaten wel het recht hebben om uitgebreid over de gezondheid van de betrokkene geïnformeerd te worden.

„Iedereen krijgt te maken met een verouderingsproces. Wanneer we over de 65 zijn, zijn we zelden even effectief in de besluitvorming als toen we in de vijftig waren.”

Openheid

De kwakkelende gezondheid van leiders als Leonid Brezjnev (Sovjet-Unie), Kim Jong-il (Noord-Korea) en Hugo Chavez (Venezuela) kon door strenge controle op de media lang verborgen blijven. Owen pleit voor veel meer openheid over de medische gesteldheid bij kandidaten voor hoge posities. Daar zijn historische argumenten voor.

Het besluit, direct na de oorlog, om het Indiase subcontinent te verdelen in India en Pakistan zou waarschijnlijk niet zijn genomen, schrijft hij, als de Britten geweten hadden dat de moslimleider Jinnah nog maar een paar maanden te leven had. Als Kennedy niet zo onder de pijnstillers had gezeten, had hij misschien geen toestemming gegeven voor de mislukte invasie op de Varkensbaai in Cuba, in 1961. En zonder speed was Britse premier Anthony Eden in 1956 misschien niet aan zijn roekeloze Suez-avontuur begonnen.

Owen pleit voor regelmatige rapportage over de fysieke gezondheidstoestand van politieke leiders door onafhankelijke artsen – van een lijfarts kun je nu eenmaal geen volledige openheid vragen, zegt hij.

Daarbij zou hij het liefst nog een stap verder gaan en ook de geestelijke gezondheid laten onderzoeken. „Openheid over fysieke ziektes is nu goed te realiseren’’, zegt hij. „Maar we zouden mensen met veel macht ook moeten testen op persoonlijkheidsstoornissen.’’

Denk aan het hubris-syndroom: ziekelijke overmoed en minachting voor andermans meningen. Owen:

„Macht verandert een mens. Daarom zouden we niet alleen op de lichamelijke gezondheid moeten letten, maar ook op de geestelijke.”