Stervende zwaan op het hockeyveld

Acteur Gijs Scholten van Aschat maakt eind deze maand kans op een Gouden Kalf voor zijn rol in de film Publieke Werken. Als puber kwam hij in de cel omdat hij verkleed als agent een bromfietser aanhield.

Gijs Scholten van Asschat in Moany's jongen huilt niet van Tennessee Williams, schooltoneel, 1978.

Gijs Scholten van Aschat ziet er verfomfaaid uit, als hij als 19-jarige het huis van Pim Batema binnenstapt, zijn toneeldocent op de middelbare school. Het is 1979, de eindexamens zijn net geweest. Scholten van Aschat betreedt een podiumpje in de woonkamer om zijn auditie voor de Toneelacademie Maastricht te repeteren. Maar door een wilde nacht zonder slaap is hij nauwelijks bij stem.

„Hij had makkelijk kunnen zeggen dat hij later zou komen”, zegt Batema, wijzend naar de plek waar het podiumpje veertig jaar geleden stond. „Maar dat deed hij niet, hij kwam gewoon.”

Gijs Scholten van Aschat is een acteur met een statige, klassieke uitstraling, geroemd om zijn tekstbehandeling: elk woord laat hij klinken. Hij won al eens een Louis d’Or, een Gouden Kalf (voor zijn rol in de tv-serie Oud Geld) en droeg elf jaar de Albert van Dalsumring, een prestigieuze onderscheiding die wordt doorgegeven van acteur op acteur. Eind deze maand concurreert hij om een Kalf met zijn zoon Reinout.

Het vak van ‘acteur’ werd geopperd in een psychologisch rapport dat zijn ouders over hem lieten maken op zijn twaalfde – hij kon zich zo moeilijk concentreren op school. „Speelse jongen”, stond in het rapport, veel fantasie. Zijn vader werkte bij de Rotterdamsche Bank, moeder zorgde. Ze kenden elkaar van een studie rechten. Vader hield van geschiedenis en maakte, toen hij ouder werd, aquarellen. Moeder schreef een aantal kinderboeken, speelde piano en deed een studie Frans. Ze was een intelligente, levenslustige vrouw met wie Gijs goed kon praten, zegt jeugdvriend Gerard Warmelink. De boekenkast stond vol klassiekers, die ook Gijs graag las.

Het grootste deel van zijn jeugd woonde Scholten van Aschat in Tiel, in een huis met een enorme tuin. Ze speelden veel buiten, vertelt zijn twee jaar oudere broer Christiaan in zijn advocatenkantoor in Amsterdam. Vuurtjes stoken, paardrijden. „Er was vrijheid”, zegt Christiaan Scholten van Aschat. „We speelden met hamers en spijkers en als we in de bossen paardreden, hoefden we geen cap op.” Op de grote zolder konden ze „zonder toezicht” spelen. Soms voerden ze die spelletjes voor hun ouders op. Eens hadden ze een decor gemaakt van een met veiligheidsspelden vastgeprikt tentdoek en een nylon vlag. Ertussen stonden kaarsen te branden. Hun ouders kwamen net op tijd om een ramp te voorkomen.

Saxofoon of trompet

Het gezin had een voor die tijd bovenmodaal inkomen, maar deed geen extravagante dingen. Op vakantie gingen ze naar het buitenhuis in Vught dat nog altijd in de familie is. Er heerste arbeidsethos, zegt broer Christaan. Je moest je best doen, volhouden. „Prima dat Gijs op saxofoonles wilde, maar dan werd het niet na drie maanden trompet.” In de zomers werden de kinderen naar het buitenland gestuurd om vreemde talen te leren. Toen Gijs zo rond zijn zeventiende in Canada belandde, greep hij zijn kans en reisde per auto het land door met iemand die hij daar had ontmoet.

Op Gijs’ zestiende verhuisde het gezin naar Amsterdam-Zuid, waar vader directeur werd van de bank (inmiddels met de Amsterdamsche Bank gefuseerd tot AMRO). Die verhuizing, naar de cultureel veel rijkere hoofdstad, gaf zijn toekomst een beslissende draai, denkt zijn broer, al had hij ook op de rijksscholengemeenschap in Tiel graag aan schoolvoorstellingen meegedaan. „Maar het is niet zo dat Gijs al op zijn zesde met plaksnorren door het huis liep. De serieuze theaterliefde begon in Amsterdam.”

Na de havo op het Amsterdams Lyceum ging hij naar het Hervormd Lyceum voor atheneum – moest van zijn moeder, voor als het acteren niets zou worden. Daar ontmoette hij Pim Batema, een economiedocent die ook leerlingentoneel regisseerde. Het clubje dat hieraan meedeed, en waarbij Gijs zich aansloot, speelde ook klassieke stukken, zoals van Tennessee Williams. Ze repeteerden veel, ook op zaterdagen, en deden een scène soms wel vijftien keer over.

Scholten van Aschat liet zich goed regisseren, zegt Batema, en had een groot gevoel voor taal. „Hij kon zich nauwkeurig en scherp concentreren op zijn doel. Dat is altijd zo gebleven. Hij is een ambachtsmens die elke rol fris speelt. Geen glitter.” Het toneelclubje had status, klasgenoten werden groupies. Gijs bleef daar nuchter onder.

Na een voorstelling van het Amsterdams Lyceum gingen hij en een vriendje de straat op in hun kostuums: politieuniformen. Ze hielden iemand aan, maakten opmerkingen over zijn brommer en lieten hem er met een waarschuwing vanaf komen. „Van welk bureau zijn jullie?”, vroeg een agent die dit had gadegeslagen. Ze wisten zich er niet uit te praten en zaten een paar uur in de cel.

Met vriend en buurjongen Gerard Warmelink was Gijs intussen ook druk met hockeyen, voetballen, uitgaan, klooien en kletsen, vertelt Warmelink in zijn tandartspraktijk in Amsterdam-Zuid, om de hoek van hun oude middelbare school. „Als hij hockeyde wist hij altijd een of andere strafbal af te dwingen, omdat hij zich liet vallen als een stervende zwaan. Niemand zag dat dat nep was, maar mij gaf hij een knipoog.”

Scholten van Aschat werd afgewezen voor de toneelschool in Amsterdam – hij was te kakkerig voor de jaren 70, denkt hij zelf – maar hij werd toegelaten in Maastricht. Het was een vormende tijd, van keihard werken, kroeg, slapen en weer werken. „Al je denkbeelden, al je twijfels worden daar opnieuw gerangschikt”, zegt acteur Peter Blok, die een jaar hoger zat. „Je ontdekt wat voor soort speler je bent en wat je wilt gaan maken.”

Studio Sport of Tsjechov

Tussen Blok, Pierre Bokma, Scholten van Aschat en Willem van de Sande Bakhuyzen (overleden in 2005) ontstond op de toneelschool een hechte vriendschap, mede gebaseerd op hun „toneelmatige kijk” op de dingen, zegt Blok: zaten ze op een terras, verzonnen ze scènes bij wat zich voor hun neus voltrok. En ze wilden alle vier Studio Sport zien op zondag. De rest las liever Tsjechov.

Met Willem van de Sande Bakhuyzen – later zouden ze samen succesvolle producties maken – vormde Scholten van Aschat een soort „tandem”. Ze vielen op: beide een dubbele achternaam, gekleed in ribbroek en hockeysjaal. Gijs hing op de toneelschool niet de kunstenaar uit, zegt scenarioschrijver Maria Goos. „Hij had niet het in het oog springende talent van Pierre Bokma, hij moest er hard voor werken.” Daarnaast was hij pragmatisch, zegt Goos, hij wilde gewoon veel spelen, al was het de stem in een commercial. „Later bleek hij juist altijd trouw te blijven aan wat hij zelf wilde maken.” Al zijn keuzes waren weloverwogen.

Na de toneelschool ging hij naar de Haagse Comedie omdat hij zich in Shakespeare wilde bekwamen. „Wij vonden dat daar een stoffig randje aan zat”, zegt Peter Blok. Een lucratief aanbod van Joop van den Ende voor Pygmalion sloeg hij af omdat hij bang was zich te vervelen.

Toen de Maastrichtse theaterstudenten eens in een busje zaten en de weg niet wisten, draaide Scholten van Aschat het raampje naar beneden en sprak een man aan. Had hij misschien iemand gezien in een groen jagersjack, met een rood petje op? Diegene wist namelijk waar ze naartoe moesten. „Gijs beschreef die man zelf!”, zegt Blok. „Dat was heel grappig. Die speelse geest, brutaliteit, humor én bewustzijn van publiek had hij toen al. Dan ben je als acteur al behoorlijk ver.”