Prinsjesdag 2016: gooi open die schatkist

©

Er zijn inmiddels zoveel economen die (al jaren) roepen dat Nederland en Duitsland hun zuinigheid moeten afzweren en groots moeten investeren in de economie dat ik als politicus zou denken: gooi open die schatkist. Als ze allemaal zo hardnekkig blijven betogen dat een gat in de hand veel beter is, laten we dan nu beginnen met die Buma-banen (met lage belastingdruk), die Klaver-huizen (voor een prikkie geïsoleerd) of die Pechtold-scholen. Geld lenen is supergoedkoop. Laten we een voorschot nemen op de toekomst.

Er zijn, vooral bij de overheid, nog hordes economen die zuinigheid als levensmotto koesteren, die buffers willen aanleggen voor slechte tijden, die de les van de crisis niet zijn vergeten en weten: denk nooit dat geld gratis is. Ook zij hebben een punt. Toch is de investeer!-gedachte niet gek. Waarom? Het gaat onmiskenbaar beter met de economie. De werkloosheid daalt, de koopkracht stijgt, investeringen nemen toe, bijna alle economische maatstaven staan in het zonnige kwadrant van de conjunctuur. Maar supergoed gaat het nog niet. Terwijl het geldbeleid van de Westerse centrale banken nu al jaren ongekend ruimhartig is. Je zou denken dat met zoveel monetaire zon en water de planten in de economische tuin heel wat uitbundiger zouden bloeien. Het lijkt erop dat vooral de immens grote bedrijven van het economische tij genieten terwijl de gemiddelde burger minder makkelijk profiteert.

Dat maakt dat veel economen betogen dat overheden als de Nederlandse de economie een flinke zet moeten geven om niet te vervallen in een langdurige kwakkelstand. Ja dat betekent meer schulden maken, maar als je goed nadenkt over waarin de overheid investeert, dan kan je het met de huidige rentestanden uiteindelijk terugverdienen.

Oké, stel, we zijn het met die analyse eens: waar investeren we dan in? Voor de hand liggen het energiezuiniger en schoner maken van onze economie en maatschappij. Dat kan natuurlijk, maar mijn prioriteit zou liggen bij de arbeidsmarkt. Daar kan je geen sexy wegen of windmolens in aanleggen. Maar als de overheid toch met geld gaat strooien gebruik dat dan om slimme oplossingen te bedenken voor een zorgelijk modern fenomeen: de zwakke positie van Westerse werknemers.

De Rabobank zette vrijdag de deprimerende feiten nog maar eens op een rij: de factor arbeid (of die nou werkt in loondienst of als zelfstandige) weet een kleiner deel van het nationaal inkomen te bemachtigen. De reële lonen blijven in sectoren als de bouw, groothandel en transport achter bij de arbeidsproductiviteit. Zonder de winsten van bedrijven aan te tasten zouden de lonen daar omhoog kunnen, schrijven de economen van de Rabobank. Maar het gebeurt niet. Dat is niet uniek. „In nagenoeg alle Westerse landen neemt de beloning van de factor arbeid stelselmatig af. Over de oorzaken daarvan verschillen de meningen.” Dus zijn de oplossingen ook niet makkelijk.

De kans is groot dat het de komende weken in Den Haag over ouderen gaat: hun koopkracht is minder gestegen, en er dreigen alweer kortingen op de pensioenen. Ik denk dat het gesprek over werkende Nederlanders moet gaan. Over de arbeidsmarkt, in een vergrijzend land toch de motor waarop de rest draait. Het is een moeilijk vraagstuk, dat zich behalve verlaging van de loonbelasting niet leent voor simpele cadeautjes, en er moet politieke pijn worden geïncasseerd. Want dit kabinet probeerde dit vraagstuk op te lossen met de grote arbeidsmarkt-hervorming van Lodewijk Asscher, de Wet Werk en Zekerheid. Daarover is toch best breed de conclusie: opnieuw beginnen.