Paniekvoetbal in de polder

Voetbal

De Hollandse School werd het Nederlandse spel zelfgenoegzaam genoemd. Daar is weinig meer van over. De status van Nederland als voetbalnatie brokkelt snel af.

Foto Pim Ras / Sportbeeld / HH

Met de borst vooruit en een beminnelijk glimlach op zijn gezicht incasseerde Michael van Praag voor het oog van de voetbalwereld de bijna smadelijkste nederlaag die een kandidaat-voorzitter van de Europese voetbalfederatie in een verkiezing maar kan lijden. Niets van teleurstelling of egokrenking. Hier stond een man die tegen zijn verlies kan. En had hij niet een indrukwekkend en humaan betoog gehouden over een schone toekomst van het voetbal? Als een winnaar reikte Van Praag de man die hem versloeg de hand. Zo doe je dat.

Zo hebben Nederlandse voetballers en trainers de laatste decennia nederlagen vaak geïncasseerd. Met een aandoenlijke hooghartigheid werd het verlies afgedaan als onterecht. Want: wie had het mooiste voetbal gespeeld, wie had het meeste aangevallen, wie had het meeste balbezit gehad? Het begon al medio jaren negentig nadat Ajax zich onder de grote leider Louis van Gaal tot ’s werelds beste had gekroond. De statistieken werden er bij genomen: een surplus aan balbezit en nauwelijks balverlies. Ja, dan is een nederlaag onverdiend, nietwaar?

Balbezit was heilig. „Als wij de bal hebben kunnen zij niet scoren”, predikte Johan Cruijff een van zijn onweerlegbare waarheden. Zo borduurden Nederlandse elftallen voort op het recept dat Van Gaal medio jaren negentig met succes had bedacht. Tot in de onderste regionen en laagste jeugdelftallen werd de bal heen en weer geschoven, op balverlies stond een zware straf. Elke individuele actie werd met argusogen gevolgd, want te riskant. Hoe knap ook uitgevoerd, schaakvoetbal is voor de liefhebber toch minder aantrekkelijk dan de passeerbewegingen van aanvallers, zoals Cruijff dat in zijn actieve periode als voetballer in hoogsteigen persoon had gedemonstreerd. Voor een individuele actie staat het publiek op de banken. Voor combinaties, hoe oogstrelend ook, niet zo gauw.

De bewegingen van Romario

Hoe hebben eind jaren tachtig begin jaren negentig samen veel PSV-supporters en andere liefhebbers niet ademloos de bewegingen van Romario gevolgd. Wat gaat hij nu weer doen? Elke beweging hield een verrassing in en vaak ook een onverwacht doelpunt. Op de vraag waarom Ajax niet geïnteresseerd was in een spits als Romario, antwoordde Louis van Gaal: „Die past niet in ons systeem. Bovendien wil geen speler voor hem werken, omdat hij niets voor de anderen doet. Er is maar één die dat wil en die zit daar!”

Even verderop zat Edgar Davids. Hij knikte. „Ik schoffel wel voor hem, als hij maar scoort.”

Zo verdween langzaam de schwung uit het Nederlandse voetbal en werd het systeem (4-3-3 en andere varianten) heilig verklaard, hoe veel talenten ook uit Nederlandse opleidingen steeds bleven komen. Ook individuele en artistieke jongens. Aanvallend voetbal, zeker. Maar in de verdediging stonden steeds meer spelers die voorheen aanvaller waren geweest. Robuuste types zoals in het verleden Cor van der Hart, Rinus Israël, Tonnie Pronk, Aad Mansveld, John de Wolf en andere reuzen moesten plaatsmaken voor aanvallend ingestelde verdedigers die ‘voetballende oplossingen’ zochten.

Zware slidings en tackles verdwenen van de Nederlandse voetbalvelden, dat deden alleen verdedigers in het buitenland: Engelsen, Italianen, Spanjaarden, Duitsers en meer. Maar dat waren toch geen voetballers? De fysieke strijd die voetbal sinds zijn ontstaan in zich heeft, was vooral nog in Engelse en Duitse stadions te zien. Nederlanders gruwden ervan.

Schuiven en rondtikken

De Hollandse School werd het Nederlandse spel zelfgenoegzaam genoemd. Want keek de helft van de voetbalwereld niet bewonderend naar de Nederlandse opleidingen? Het schuiven en rondtikken van de bal werd als kunst beschouwd, vooral omdat het veel oefening in combinaties en positiespel vroeg, maar stierf in schoonheid.

In het boek ‘Weg met de Hollandse school (of niet)’ zegt trainer Gertjan Verbeek, sinds enkele jaren werkzaam in Duitsland: ‘Het mooie van de Hollandse school is dat we creatief zijn, oplossingsgericht denken en innovatief zijn. Maar dat zijn we de laatste jaren niet meer geweest.’ Stilstand dus, blind staren, zelfingenomenheid.

Toon Gerbrands, algemeen directeur van PSV, zegt in het boek: ‘Wij zijn niet meer verrast als we als klein landje een keer tweede of derde worden op een WK, terwijl de rest van de wereld dat niet snapt, omdat ze onze competitie niet goed vinden, een aantal spelers niet deugt en we maar zeventien miljoen inwoners hebben. Wij vonden dat succes heel normaal.’

Vanzelfsprekend hebben Nederlandse clubs steeds meer moeite de financiële ontwikkeling in het internationale voetbal bij te houden. In het voetbal in Spanje, Engeland, Duitsland, Italië en Frankrijk stromen de euro’s en dollars binnen. Grote en minder grote talenten zoeken hun heil in buitenlandse competities, de Nederlandse competitie is een transitieruimte. Nederlandse clubs leiden spelers op voor buitenlandse clubs.

Gerbrands doet niet dramatisch over de huidige status van het Nederlandse voetbal. ‘Topsport is altijd conjunctureel. Er is, net als in de economie, altijd een fase waarin het even wat minder gaat. De vraag is, word je erdoor verrast en krijg je een wake-upcall, of heb je voorzien dat zoiets kan gebeuren. Het lijkt erop dat het Nederlandse voetbal totaal is verrast door een jaar waarin we iets niet halen. Er is paniek. Er zijn werkgroepen die ons moeten gaan vertellen hoe het moet, en er is een masterplan. Maar eigenlijk betekent het dat niemand erover heeft nagedacht dat er goede en slechte tijden bestaan. Dat vind ik zorgelijker dan het feit dat we niet naar een EK gaan.’

Buitenkant paal

En: ‘Als je lang genoeg meeloopt in de topsport, zal iedereen een seizoen meemaken dat elke bal er automatisch invliegt en dat er ook een jaar is waarin alle ballen er net via de buitenkant van de paal uitschieten. Dat is topsport. Het klinkt misschien gek, maar dat hoort er gewoon bij. Alleen accepteren wij dat niet.’

Accepteren dat in het buitenland aantrekkelijker en met meer succes wordt gevoetbald, is voor de Nederlandse liefhebber echt zwaar. Wanneer, zoals de afgelopen week, Atlético Madrid en Manchester United op bezoek komen, stromen de stadions in Eindhoven en Rotterdam vol met supporters die hopen dat hun club zich zal manifesteren als reuzendoder, nota bene. Het is zelfs vernederend als Manchester United in het duel met Feyenoord niet begint met de sterkste opstelling. De liefhebbers werd zo de schittering van sterren als Ibrahimovic en andere vaste spelers onthouden.

Zij kunnen zich troosten met de gedachte dat morgen in Eindhoven een beladen wedstrijd tussen PSV en Feyenoord wordt gespeeld. Internationale sterren ontbreken, maar spanning, en sensatie zal er zijn.

Dat is nog steeds de kracht van het Nederlandse clubvoetbal. Zonder de Messi’s, de Ronaldo’s, de Neymars en de Zlatans valt er genoeg te beleven. Als er maar strijd wordt geleverd is er opwinding en hoop. En daar gaat het om in voetbal. En wie verliest mag heel diep teleurgesteld zijn. Pure emoties horen erbij. Dat is de charme van sport.