Over een fout vonnis moet je niet blijven tobben

Interview Hans Hofhuis

De zaak-Lucia de B. van ‘zijn’ Haagse rechtbank was de grootste rechterlijke dwaling ooit. Hans Hofhuis heeft er nog altijd geen vrede mee. „Het bleek uiteindelijk zelfs onzeker of er wel een moord was gepleegd. Dan zit je wel flink fout, om het zo te zeggen.”

Rechter Hans Hofhuis vindt het vertrouwen in de rechtspraak onvoldoende. „Als 3 of 4 van de 10 niet positief zijn ben ik daar niet blij mee. Juist omdat rechtspraak iets moet zijn van de hele samenleving.” ©

Hij was rechter in vele duizenden zaken, haalde tientallen keren de media, maar toch kent vrijwel niemand de Haagse rechter Hans Hofhuis. En daar lijkt hij, nu hij 70 is en het ambt moet neerleggen, best tevreden mee. Hij was rechter in Utrecht, president van de rechtbank Den Bosch, maar tussen 2001 en 2008 vooral die van de rechtbank Den Haag – de plek waar de Staat wordt gedagvaard en de trias politica, de scheiding der machten, het vaakst op de proef wordt gesteld.

Hoe ver durft de rechter zich op politiek terrein te begeven, is dan de kwestie. Als voorzitter van de civiele kamer die in 2015 de Urgenda-zaak deed was de indruk: heel ver. Het kabinetsplan om de CO2-uitstoot terug te dringen, vonden Hofhuis en zijn twee collega-rechters onrechtmatig, want in strijd met de zorgplicht van de overheid gezien de ernst van de klimaatverandering.

Voor de een was dit een klinkklaar geval van inmenging van de rechter op politiek terrein. Anderen zagen vooral een ‘moedige’ rechter die een laks kabinet corrigeert. Hofhuis ‘deed’ met twee collega’s ook de Yukos-zaak, waar Rusland 50 miljard dollar schadevergoeding door bespaarde. Van hem en zijn collega’s hoefde de ‘Pedopartij’ destijds niet te worden verboden. En hij was mee verantwoordelijk voor het vonnis waarin Nederland niet aansprakelijk werd gesteld voor de dood van lokaal personeel in Srebrenica omdat het ‘slechts’ een VN-missie uitvoerde. Hij verbood in 2006 de AIVD om door te gaan met het afluisteren en observeren van Telegraaf-journalisten.

Tijdens zijn termijn als president beging een strafkamer van ‘zijn rechtbank’ bovendien de grootste dwaling in de moderne rechtsgeschiedenis: de veroordeling van verpleegkundige Lucia de Berk wegens meervoudige moord. Achteraf bleek de verdachte niet alleen onschuldig, het was zelfs de vraag of er wel een moord was gepleegd, laat staan meerdere.

Dat rechters met 70 verplicht met pensioen moeten kan Hofhuis billijken – maar als het had gekund was hij doorgegaan. „Het is een fantastisch vak”, zegt hij. Hofhuis kwam bij de rechtbank op z’n 31e. Daarvoor was hij als ambtenaar werkzaam voor staatssecretaris Jan Schaefer (Volkshuisvesting, PvdA) en assistent van de PvdA-fractie in de Tweede Kamer. In zijn 39 jaar als rechter deed hij vooral civiele zaken waaronder veel kort gedingen, altijd bij een rechtbank, nooit bij een Hof.

Over de zaken die hij tijdens zijn loopbaan deed is hij discreet. Praten erover mag niet wegens ‘het geheim van de raadkamer’, zegt hij, „de rechter spreekt door zijn vonnis”. En het is onjuist tegenover de collega’s die het vonnis mee-tekenden. Maar helemaal zwijgen is ook weer onmogelijk.

Heeft u spijt van bepaalde vonnissen?

„Ja, zeker. In Utrecht heb ik ooit geoordeeld dat de tweede helft van Feyenoord-FC Den Bosch over moest. Er waren onregelmatigheden geweest en FC Den Bosch had niet voluit kunnen spelen. Daar had ik een dag later al spijt van. Het Hof heeft dat gelukkig vernietigd. Je moet er toch niet aan denken dat de rechter zich zo met de voetballerij gaat bezighouden… Daar is de scheidsrechter voor.”

Ooit iemand onterecht opgesloten?

„Eén keer, ik kan de zaak nog uittekenen, alle details weet ik nog, het huisje waar de moord werd gepleegd, de omstandigheden, onze afweging, die dus tekortschoot. Het was meer dan 30 jaar geleden. Gelukkig is onze veroordeling in vrijspraak omgezet, in hoger beroep. Daar denk ik nog vaak aan terug. Maar je moet niet blijven tobben, ook de rechter zelf ‘moet het ermee doen’. Dan moet je denken, ik heb m’n best gedaan.”

Dat verkeerde vonnis in de zaak Lucia de Berk – had u dat ook kunnen overkomen?

„Ja. Dit waren zeer ervaren strafrechters die ik allemaal ken en voor wie ik m’n hand in het vuur steek. Er was niet de minste druk – het hof heeft er 25 zittingsdagen aan besteed. En er waren tientallen deskundigenrapporten. Er was genoeg tijd, deskundigheid en financiële ruimte – en toch kleun je mis. Het bleek uiteindelijk zelfs onzeker of er wel een moord was gepleegd. Dan zit je wel flink fout, om het zo te zeggen.”

U hebt daar geen vrede mee.

„Nee. Wij hadden de rechterlijke organisatie binnenstebuiten moeten keren en ons moeten afvragen – hoe kan het dat we daar mis zijn gegaan? Een stelselmatige reflectie over deze zaak is er niet geweest. We hebben als rechtspraak te veel uitgestraald dat ‘het systeem heeft gewerkt’ en dat er soms spaanders vallen waar gehakt wordt. Misschien zouden we achteraf concluderen dat de rechters het moesten doen met het dossier en echt niet konden weten wat er ontbrak. Maar dan nog is het buitengewoon ernstig dat er een dossier wordt binnengereden dat zo in elkaar zit dat er een ongerechtvaardigde veroordeling uitkomt. ”

Gaat dit weer gebeuren?

„We zijn met de schrik vrijgekomen, dankzij de belangeloze volharding van mensen als De Noo en Derksen (deskundige buitenstaanders die doorslaggevende informatie bijeengebracht hebben, red.) die er diep in zijn gedoken. Maar niet door ons zelf. Sindsdien is er wel veel veranderd; er zijn cursussen, er is betere ondersteuning en meer aandacht voor het ‘lezen van deskundigenberichten’. Alle rechters zijn zich rot geschrokken – maar nu is het oppassen dat we weer niet te voorzichtig worden (‘als het bewijs niet over de plinten klotst, dan maar liever geen veroordeling’). Onterechte vrijspraken zijn maatschappelijk óók ongewenst, laten we dat niet vergeten.”

Wat had er gedaan moeten worden na de zaak-Lucia de B.?

„We hadden er achteraf met deskundigen van buiten naar moeten kijken – statistici, methodologen. Mensen die anders naar redeneringen kijken, naar waarheidsvinding. Er moet een stelselmatige blinde vlek zijn geweest, misschien totaal onverwijtbaar voor die rechters, maar in zekere zin des te erger, want dan kan het morgen weer gebeuren. Als het met zes vakmensen (rechtbank & hof, red.) en álle tijd zo knallend misgaat – dat is heel zorgelijk.”

De rechtspraak is niet dol op buitenstaanders in de eigen keuken.

„Dat is ook wel begrijpelijk. Wij zijn de laatste instantie. De keerzijde is dat we dan vaak wel tevreden zijn met hoe we dat dan gedaan hebben. Het is ook niet zo simpel; we hebben het geheim van de raadkamer, er is veel vertrouwelijkheid. Er staat veel in de weg om het nog eens breed te gaan delen met anderen. Maar per saldo dreigt voor ons allemaal het gevaar dat we in ons zelf gekeerd raken.”

Het vertrouwen in de rechtspraak is toch best hoog met 60 tot 70 procent?

„Ik vind het niet genoeg. 100 is onhaalbaar want er zullen altijd mensen zijn die tegen alle instituties zijn en ons in de koop meenemen. Maar als 3 of 4 van de 10 niet positief zijn ben ik daar niet blij mee. Juist omdat rechtspraak iets moet zijn van de hele samenleving.”

Hoe kan dat beter? Zit het in samenstelling, communicatie, toegang?

„Ik heb het recept niet. Begrijpelijkheid is een belangrijk punt, onbekend maakt ook onbemind. Soms duren procedures verschrikkelijk lang en lijkt het al lang niet meer te gaan over het echte probleem – dan ontstaat er vervreemding. Uit onderzoek blijkt ook dat wie ooit met de rechtspraak te maken had er minder tevreden mee is, dan wie nog nooit bij de rechter was. Dat is toch een beetje beschamend, daar komen we niet makkelijk mee weg vind ik, al kunnen wij het natuurlijk niet iedereen naar de zin maken.”

Is de kwaliteit van de rechtspraak verbeterd sinds u in 1977 begon?

„In alle opzichten is het nu veel professioneler en veel beter dan toen ik de rechtspraak leerde kennen. Er waren disfunctionerende rechters – die bijvoorbeeld totaal geen boodschap hebben aan wat er zich buiten afspeelt. Dat is nu anders. Er wordt naar mijn ervaring ook harder gewerkt. In die opzichten ben ik wel redelijk tevreden. Maar er valt tegelijk ook nog heel veel te doen.”

Hoeveel vrijheid heeft een rechter om van de regels af te wijken?

„Rechters moeten ook bezien of het volgen van de regels wel tot een rechtvaardige uitkomst leidt. En er kunnen omstandigheden zijn waarin je zegt: ik ga de andere kant uit. In principe volgen rechters natuurlijk de regels wél – dat zit in onze genen. Maar het denken houdt dan niet op.”

Is dat een persoonlijke gewetenskwestie?

„Nee, dat zou hachelijk zijn. Er zijn zoveel rechters, met net zoveel gewetens. Het moet blijven gaan om toepassing van het recht – je moet kunnen beargumenteren dat hoewel doorgaans de uitkomst A is, in dit bijzondere geval B het meest gerechtvaardigd is – een uitzondering dus. Dat kan alleen gelegitimeerd zijn als je vindt dat het recht zo hoort te zijn. Dat het dan rechtvaardiger is. En als je dat niet kan uitleggen maar toch een andere kant op wil gaan, ben je niet geschikt als rechter.”

Moest u wel eens regels toepassen die u onrechtvaardig vond, of onbillijk?

„De regel dat iemand die strafrechtelijk is vrijgesproken, daarna bij de civiele rechter alleen schadevergoeding kan krijgen als zijn onschuld ‘bleek uit het dossier’. Dat vind ik een hoogst onbillijke regel. Het hele strafproces – en dus het dossier – gaat over jouw mogelijke schuld, niet over je onschuld. Die eis aan het dossier hoort daar helemaal niet thuis. Als het mij erg tegen de borst stuitte heb ik wel eens anders beslist, maar zo’n vonnis gaat dan in hoger beroep over de kop. Je moet oppassen dat je de mensen niet blij maakt met een dode mus. Dan ben ik zogenaamd dapper geweest, maar dan was het toch een schot in de mist.”

In 2013 beloofde de Raad voor de Rechtspraak dat in 2018 de snelheid waarmee rechters hun zaken afdoen met 40 procent zal zijn gestegen. Hoe karakteriseert u dat idee?

„Als fantastisch – in beide betekenissen van het woord. Ik was stomverbaasd toen ik het las – en ik zou niets liever willen dan dat het kon, overigens. Maar het is wensdenken, kletskoek. Ik was er heel verontwaardigd over. Ik denk dat de bestuurders zijn gestruikeld over hun eigen ambitie. Het was gebaseerd op een consultancyrapport, maar daar zat kop noch staart aan. Ik hoor er ook niets meer over en ik zeg dat zonder vreugde. Ik heb intern gezegd dat ik het hoogst ongepast vind dat wij als rechters ons zo bij de neus laten nemen. We moeten betrouwbaarheid uitstralen – onrealistische plannen moet je niet presenteren.”

De rechtspraak verwacht van de grootscheepse digitalisering die nu wordt doorgevoerd besparing van geld en snellere afhandeling.

„Dat lijkt mij een utopie. In het rapport is te lezen dat we het gaan halen als alle gerechten ten aanzien van alle soorten zaken even goed gaan presteren als telkens de beste gerechten. De winst die we daarmee zullen boeken is al meteen als compensatie geboekt voor de bezuinigingen die het kabinet de rechtspraak vanaf 2016 oplegt. We zijn op die manier afhankelijk gemaakt van het succes van de digitalisering. Die moet dus precies op tijd ingevoerd worden en mag geen financiële tegenvallers kennen. Onze organisatie krijgt zo een heel ander belang bij deze operatie dan alleen dat van goede rechtspraak. En we zitten als rechtspraak veel te dicht op het ministerie – door die financiële afhankelijkheid.”

Vindt u dat de rechtspraak sowieso te veel als uitvoerende dienst van het Rijk wordt gezien?

„De top van onze organisatie zit veel te dicht op de uitvoerende macht. In het strafrecht wordt de rechtspraak al ‘ketenpartner’ genoemd. Dat zegt al veel. Een keten, die zal iemand toch in zijn geheel willen beheersen. Terwijl de rechtspraak juist een eigen aard heeft – wij zijn iets anders dan de nationale politie of het openbaar ministerie. Die moeten we juist zorgvuldig controleren. Dat begrip ‘ketenpartner’ zit ons in de weg. Het werkt door in de bezuinigingen bijvoorbeeld. Bij ons kan je de ‘rijksbrede’ kaasschaaf juist niet gebruiken. Je moet de rechtspraakbegroting op zijn eigen merites beoordelen, een ‘beetje rechtspraak’ is niet genoeg.”

Heeft de politiek nog gezag binnen de rechtspraak?

„Dan begeef ik me op glad ijs – je moet als rechter niet de politiek willen recenseren. Maar we zien onder welke druk regeerakkoorden tot stand komen, hoe grote wetsvoorstellen soms door de Kamer gejakkerd worden – het voorstel over de digitalisering en vereenvoudiging van de rechtspraak bijvoorbeeld – zonder dat daar één inhoudelijk amendement over wordt ingediend, of er iemand laat zien verstand van zaken te hebben. We zien hoe het aanzien van de politiek verslechtert en het draagvlak onder politieke partijen afbrokkelt… Het inhoudelijk gezag van de wetgever is tanende.

„Als je dan ziet dat de rechter zich iets meer vrijheid veroorlooft, iets meer z’n eigen weg kiest, in wat hij als een logische invulling van het wetsysteem en ons recht in brede zin ziet, dan kan ik dat billijken.”