Mao versus knusheid

Selma Vos

Reserve én welwillendheid tegenover het communisme kenmerkten de houding van Selma, een Nederlandse joodse vrouw, die in Mao’s China terechtkwam.

Ik moet het maar gewoon bekennen. Ik behoorde ooit tot de harde kern van een linkse generatie met talent voor zelfmisleiding, en schreef in mijn schoolschriftje dat voorzitter Mao ons de weg wees in zijn Rode Boekje, waarvan ik een exemplaar bezat met bijbels dundrukpapier en rood leeslintje. Het middelbare-schooljongetje dat ik was, bleek overigens niet de enige die ‘in Mao’ was. Een hele elite – Sartre, De Beauvoir, onze eigen W.F. Wertheim en Joris Ivens – liet zich zogezegd bij de neus nemen. Nog bij de dood van de voorzitter in 1976 verklaarde onze minister Max van der Stoel dat de wereld een zwaar verlies leed.

Tegelijkertijd haalde in Peking een jong meisje van half Nederlandse komaf opgelucht adem. Nu zou er wellicht een eind komen aan de ellende. Dit meisje, haar broer, haar Chinese vader en Hollandse moeder zijn de hoofdpersonen in het nieuwe boek van Carolijn Visser (1956), een drama over een gezin in communistisch China, dat het eerst heel goed en daarna heel slecht heeft en dat uiteindelijk voor de helft wordt vernietigd dankzij Mao.

Wat de rode ongenade met een familie kan doen, weten we uit de bestseller Wilde Zwanen (1992) van Jung Chang die door haar eigen godheid Mao uit het paradijs werd gejaagd. Maar waar we natuurlijk benieuwd naar zijn is de Nederlandse connectie. Was het besef bij deze Hollandse familie aanwezig dat het stonk in het rode Eden?

Gezinsgeluk

Selma Vos, de moeder, een joodse oorlogsoverlevende, heeft een antenne voor totalitaire dwingelandij. Als Stalin in 1953 sterft, dan nog een held in rood China, fluistert zij thuis dat hij een ‘heel slecht mens’ was. En bij het zien van de film van een fellow traveller over het Chinese experiment zegt ze dat de werkelijkheid heel anders is. Tegelijkertijd is ze blij dat het westerse individualisme haar kinderen bespaard blijft en stuurt ze het boek China het aardse rijk van Wertheim aan vrienden in Nederland. Reserve en welwillendheid kenmerken vrij lang haar houding.

Ze kon ook moeilijk anders. Ze was getrouwd met een nazaat van een arme Chinese boerenfamilie die het tot vooraanstaand partijlid en wetenschapper had gebracht in een later verdachte tak van wetenschap, de psychologie. Ze was genaturaliseerd tot Chinese, bezat geen Nederlands paspoort, en kon geen kant op.

Welbeschouwd vertelt Visser de geschiedenis van de aanpassing van een gezin aan een systeem dat het aanvankelijk extreem bevoordeelt en later extreem benadeelt. Ze beschrijft minutieus hoe moeder Selma in een voor Chinese begrippen vrij luxueus huis het op z’n Hollands knus probeert te maken – anders dan bij haar partijtrouwe echtgenoot komt wat haar betreft voorzitter Mao de voordeur niet voorbij.

Maar voor de rest profiteert ze samen met haar gezin van de zegeningen. De familie mag naar de jaarlijkse parade op 1 oktober, gaat met ‘staatsvakantie’ naar een speciaal badoord voor de partij, waar Mao een eigen baai heeft. En de familie eet tijdens de grote hongersnood een kommetje rijst met tevredenheid.

Tegelijkertijd breekt de werkelijkheid af en toe pijnlijk door de fictie van het communistische gezinsgeluk heen, zo blijkt uit de feiten die Visser subtiel beschrijft. Een van de eerste Chinese tekens die Dop, de zoon des huizes, leert is ‘rechts element’. Als hij wil weten wat dat is, zegt zijn vader, dat hij zich daar maar niet mee moet bezighouden. ‘Het was te vergelijken met de ontdekking van een kind dat zijn vader lid is van de maffia’, zal de zoon er later over zeggen. Het bleek een van de eerste scheuren in het geloof. De verplichte driedaagse speurtocht van de dochter met haar schoolklas naar metaal tijdens de zogeheten Grote Sprong Voorwaarts – ze vindt een verroeste spijker – was er ook een.

Kruiwagenknecht

De grote breuk is Mao’s machtsgreep oftewel de Culturele Revolutie. Vader wordt door de rode gardisten onder zijn collega’s gedegradeerd tot kruiwagenknecht, moet bovenop een tafel ten overstaan van zijn vroegere minderen zelfkritiek uitoefenen, en wordt op zijn instituut opgesloten in een soort bezemkast die als cel dienst doet. Moeder wordt ook ter plekke vastgezet. ‘Ze was een verrader die haar straf wilde ontlopen’, schreeuwen haar bewakers tegen de zoon wanneer ze zelfmoord heeft gepleegd.

De kinderen van deze bourgeois-ouders moeten uiteraard naar inheemse streken om hun liberale aanvechtingen af te leren. ‘Heel goed, dochter, dat je naar het platteland gaat om je te laten heropvoeden door de boeren’, zegt de vader in gevangenschap, alwaar hij een paar maanden later sterft.

Als je het boek dichtslaat, besef je getuige te zijn geweest van een onontkoombaar proces van gelijkschakeling op de vierkante millimeter van een gezinsleven. Familiegeschiedenis als inkijkje in Mao’s lange arm, dat is wat Visser ons schenkt.

En hoe zit het met de Nederlandse connectie? Het is de grootvader van goed sociaal-democratische huize, die in zijn brieven blijkt geeft van een fijne neus voor de kwade reuk van rood China. Hij zal zijn kleinkinderen naar Nederland halen.