Kwajongen in een mijnenveld

Als vice-admiraal moest Nico Buis (1938-2016) na de Koude Oorlog radicaal bezuinigen bij de Koninklijke Marine. Het bracht hem in gewetensnood.

Nico Buis als Bevelhebber der Zeestrijdkrachten in 1994 (links) en als president van de Senaat van het Korps Adelborsten, circa 1960. Foto’s Privécollectie; Kon. Marine/Alle Hens

De onderzeedienst vraagt om een bepaald slag mannen. Onder water kan elke fout fataal zijn, wie hem ook maakt. Dus ben je op elkaar aangewezen; kwestie van lijfsbehoud. Het blijft een militaire organisatie, maar hiërarchie is minder belangrijk dan vertrouwen. Je doet wat je afspreekt en als het niet lukt, zeg je het. Geen dubbele agenda’s. „Anders verzuip je een keer met zijn allen,” zeggen ze zelf.

Nico Buis, die op 77-jarige leeftijd is overleden, sloot zijn marineloopbaan af als vice-admiraal. Van 1992 tot 1995 was hij Bevelhebber der Zeestrijdkrachten. Buis was ook een geboren onderzeebootman (en het bewijs dat ze daar niet alleen kleine mannetjes aannemen). Overrompelend direct, glashelder, zijn bemanningen gingen voor hem door het vuur, zeggen tijdgenoten. Geen dubbele agenda’s.

Hij wilde naar zee. Zijn vader, Scheveninger en hoofdmachinist op de koopvaardij, ried hem de marine aan. In 1959 meldde hij zich bij het Koninklijk Instituut voor de Marine (KIM) in Den Helder. Hij was 20, nadat hij riant van zijn HBS-tijd had genoten, en vrij oud voor een aspirant-officier. Zijn cijfers zouden nooit top of class worden, maar de ‘leiderschapskwaliteiten’ die op beslissende punten in zijn carrière de doorslag zouden geven, stonden al vast.

Hij was de energieke pitcher in het honkbalteam, de belangrijkste verdediger. Hij werd president van de Senaat, die het Korps Adelborsten – zoals de KIM’ers heten – vertegenwoordigt. Een ouderejaars vroeg hem eens waarom er een grote en een kleine voorzittershamer waren. „Deze”, zei Buis, en pakte de kleine op, „is om onbelangrijke vragen af te tikken.”

Typerende scène: niet bang zijn autoriteit te gebruiken, maar met zelfspot. Het zou hem nooit moeite kosten iemand te vertellen wat hem niet beviel. Of iemand te prijzen. Hij zou ook altijd grappen blijven maken, soms op het randje, tegen iedereen van hoog tot laag. Het was óók zijn manier om te tonen dat hij altijd een van hen was gebleven, ondanks die sterren op zijn mouw. „Hij bleef een grote kwajongen”, zegt een vriend.

Bij de onderzeedienst kwam hij in 1963, na junior-officiersfuncties op ‘oppervlakteschepen’. Het was aanvankelijk geen feest. Een generatie officieren die het Japanse kamp had meegemaakt streefde ijzeren discipline na. Toch doorliep hij alle functies en deed in 1973 de laatste beproeving om onderzeebootcommandant te worden, een moordend examen dat toen nog door de Britse marine werd afgenomen. Eén fout mag, een tweede ingreep was (en is): gezakt. Geen herkansingen. „Het dwingt je je limieten te verkennen zonder er overheen te gaan”, zegt een tijdgenoot. „Het vergt zelfvertrouwen zonder overmoedig te worden. Ik zou het niet graag overdoen.” Buis slaagde. Een jaar later kreeg hij het bevel over Hr Ms Zwaardvis.

Specialiteit van de Nederlandse onderzeeboten, stiller dan Britse en Amerikaanse nucleaire boten, was het bespioneren van Sovjet-schepen, zelfs tot vlak onder hun romp. „Alsof je naakt op het Rode Plein stond”, grijnst een oud-commandant.

Na dertien jaar verliet Buis de onderzeedienst. En kwam na een reeks varende- en staffuncties definitief aan wal, om in 1992 bevelhebber te worden. Zo kort na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie, draaide de marine nog op Koude Oorlogsscenario’s. Dat er verkaveld moest worden, was met de komst van humanitaire- en vredesmissies, en militaire operaties buiten NAVO-gebied evident. Maar behalve ombouwen moest Buis afbouwen: fregatten en onderzeeboten moesten de deur uit, een kwart van het personeel. Het was slechts het begin.

Dat het ‘vredesdividend’ zo royaal werd opgestreken, bracht hem in gewetensnood. Hij wilde loyaal zijn maar geen Haagse zetbaas. Evenmin kon hij ‘zijn’ marine in de steek laten. Het dwong hem diplomaat te zijn. Soms lukte het. Toch boekten Buis en zijn staf in die tijd successen. Dat de onderzeedienst er nog is, is er het bewijs van. Maar toen men hem in 1995 vroeg nog twee jaar te blijven, zei hij nee.

Hij werd chef van de Binnenlandse veiligheidsdienst (BVD), zoals de AIVD toen heette. Een vergissing van twee kanten. De BVD was een stroperige organisatie, waar A zeggen niet A hoeft te betekenen. Al snel was hij weer weg en werd bestuursvoorzitter van berger Smit Internationale, waar zijn hart weer ging kloppen. De spectaculairste klus was de berging van de Russische onderzeeboot Koersk, een technisch huzarenstuk, dat zich ook in een politiek mijnenveld afspeelde. De vreedzame ontknoping van de gijzeling van twee Smit-bemanningen in Iran verliep buiten de schijnwerpers, maar het moet hem zeker zoveel genoegen hebben gedaan gewone mede-zeelui te helpen.

„De zee geeft en de zee neemt”, citeerde hij Herman Heijermans eens in een interview. „Dat is géén dooddoener.” Angst voor de zee is iets anders dan ontzag. Hij zei ook dat de zee hem „alleen geluk” had gebracht. Hij bedoelde het soort geluk dat je moet afdwingen.