Iedereen wist het, maar niemand kon het zeggen

Oorlog werd ‘politionele acties’, structureel geweld werden ‘excessen’. De manier waarop Cees Fasseur en andere historici wegkeken van het Nederlandse geweld in de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog, heeft het denkkader van jongere historici beïnvloed, schrijft Anne-Lot Hoek.

Luitenant-generaal Simon H. Spoor geeft kruis van verdienste aan KNIL-militairen, Indonesië, 1947. Foto Hollandse Hoogte

Nederlandse historici hebben zich uitputtend verdiept in de gewelddadige Duitse bezetting, maar zich nauwelijks beziggehouden met het buitensporig geweld tijdens de onafhankelijkheidsstrijd van Indonesië 1945 – 1950. Ook Cees Fasseur niet, die in 1969 de Excessennota opstelde. Dat is nu aan het veranderen: later deze maand verschijnt De brandende kampongs van generaal Spoor van historicus Rémy Limpach over het Nederlandse militair optreden. Waarom bleef die academische interesse zo lang uit?

Nederland heeft altijd omzichtig met zijn koloniale verleden omgesprongen. Premier Rutte bleef onlangs in Zomergasten op één vraag het antwoord schuldig: de verantwoordelijkheid voor Nederlandse oorlogsmisdaden in Indonesië. Afgelopen maart werd het Korps Commandotroepen gedecoreerd met de Militaire Willems-Orde voor moedig optreden in Afghanistan. Maar dat het ministerie van Defensie niet eerst openlijk afstand doet van het zeer bloedige optreden van de voorgangers van dat korps tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd, is opmerkelijk. Het ministerie noemt het optreden van voorloper Korps Speciale Troepen op Midden-Sumatra tijdens de ‘Tweede Politionele Actie’ in 1948-1949 zelfs ‘spectaculair’ op zijn website. Een optreden waarbij honderden Indonesische burgers zijn omgebracht.

Dat wegkijken werkt ook door in de herinneringscultuur. Jaarlijks herdenken we op 4 mei slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog, maar ook Nederlanders die tijdens de onafhankelijkheidsoorlog van Indonesië zijn omgekomen. Een hele andere oorlog, waarbij ook tienduizenden Indonesiërs zijn omgekomen. De vorige generatie historici zocht dit spanningsveld niet op, maar ging het uit de weg.

In haar geschiedenisscriptie in 1996 schreef historica Stef Scagliola dat de rol van de recent overleden historicus Cees Fasseur, als adviseur van koningin Beatrix voor haar staatsbezoek aan Indonesië in 1995, lastig te combineren zou zijn geweest met die van aanjager van onderzoek naar Nederlandse martelingen en executies. Fasseur was de opsteller van de Excessennota uit 1969, een in haast uitgevoerde inventarisatie in overheidsarchieven van Nederlandse militaire ‘excessen’ begaan tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog van 1945-1950. De Excessennota was een noodgedwongen reactie van de regering op onthullingen in de media, die de beladen kwestie politiek onschadelijk moest maken. De regering gaf daarna nog slechts opdracht voor het opstellen van een neutrale bronnenpublicatie, onderzoek kwam er niet.

Fasseur reageerde zeer ontstemd op de opmerking van Scagliola. Die schrapte de passage in haar proefschrift Last van Oorlog (2002). Scagliola: „Ik was bang dat het mijn positie in het netwerk van historici zou schaden”. Fasseur was als begaafd en charmant historicus een belangrijk man in dat netwerk. Zelf gaf hij een hele andere verklaring voor het feit dat hij het excessendebat niet aanjoeg, ook niet toen hij als hoogleraar in Leiden volledige academische vrijheid genoot. Hij had er geen interesse in, liet hij deze krant vorig jaar weten als reactie op het nieuwe onderzoek van Limpach.

De historicus Remco Raben spreekt er in een wetenschappelijke bundel uit 2014 zijn verbazing over uit dat er nauwelijks aandacht in de Nederlandse historiografie is voor de humanitaire rampen achter koloniaal geweld. Er was een internationaal debat gaande onder Azië specialisten, die wel interesse toonden in geweld en andere perspectieven, zoals historicus Harry Poeze (KITLV). En in 1970 verscheen Ontsporing van geweld, de sociologische studie naar Nederlands militair optreden, van Hendrix en Van Doorn. Een boek dat voor het eerst liet zien dat geweld extremer was dan was aangenomen, maar dat niet leidde tot meer academisch onderzoek. Veel historici geven bij navraag aan dat geweld geen academisch interessant onderwerp is.

De directeur van het Koninklijk Instituut voor Land-, Taal- en Volkenkunde (KITLV), Gert Oostindie, die vorig jaar het boek Soldaat in Indonesië schreef, zegt daarover: „Geweld in Indië was onder de vorige generatie historici niet-salonfähig”. Volgens hoogleraar in emiraat Jan Bank lag het anders en was het „een controversieel onderwerp, wat zijn weerslag had op het wetenschappelijk debat”.

Historicus Willem IJzereef bijvoorbeeld, die De Zuid-Celebes Affaire schreef in 1984, moest zelfs een handtekening van premier Ruud Lubbers halen om tot dan toe geheime dossiers in te zien. „Vooral militairen, politici en academici die de strijd in Indië van nabij kenden, stonden niet open voor een grondig onderzoek, en vanuit Indonesië werd ook geen druk uitgeoefend”, aldus Bank. Met andere woorden: niemand had belang bij onderzoek naar Nederlandse oorlogsmisdaden in Indonesië. Scagliola: „Om dit onderwerp geagendeerd te krijgen was iemand met macht en autoriteit nodig die zijn lot er aan wilde verbinden.” Zo iemand had Fasseur kunnen zijn, die regelmatig tekst en uitleg gaf in de media als het over de excessen ging. Maar ondanks zijn mediaoptredens verdiepte hij zich er niet meer in.

De bundel Oostindisch Doof van journalist Remco Meijer uit 1995 geeft een goed inkijkje in de relatie tussen de academici en de maatschappelijke controverse. De komst naar Nederland van deserteur Poncke Princen en het staatsbezoek van koningin Beatrix aan Indonesië deed de gemoederen hoog oplopen. Ook werd schrijver Graa Boomsma voor de rechtbank gedaagd omdat hij het militaire optreden in Indonesië met dat van de SS had vergeleken. Meijer interviewde verschillende vaderlandse geschiedschrijvers over de dekolonisatie van Indonesië, onder wie Cees Fasseur, inmiddels hoogleraar Geschiedenis van Zuidoost-Azië aan de Universiteit Leiden. Het was de tijd waarin onderling flink werd gekibbeld over het verschil in academische inslag tussen ‘Leiden’, ‘Amsterdam’ en ‘Utrecht.’

De nadruk in Meijers interviews lag op de politieke en economische verbanden, die relevant zijn om de bredere context te kunnen begrijpen. Maar het is wel opmerkelijk dat vijftig jaar na aanvang van de oorlog die context niet verder werd ingekleurd met analyses van het geweld en de verschillende perspectieven, waaronder de Indonesische zienswijze en die van de man op de grond die een oorlog moest zien uit te knokken.

In de bundel van Meijer valt op dat historici het geweld meer als een maatschappelijk dan als een historisch onderwerp zagen. De morele verontwaardiging over het geweld was volgens hen vooral een storende hobby van de media. Maar waren de wetenschappers zelf niet ook vooringenomen? Historicus Jur van Goor wilde bijvoorbeeld „geen partij” kiezen, maar was bang dat grondig onderzoek naar „de schanddaden” van de beruchte kapitein Westerling op Zuid-Celebes – onder wiens leiding duizenden Indonesiërs zijn geëxecuteerd – zou leiden tot „mythevorming” waarin zijn daden „veel omvangrijker worden dan ze in werkelijkheid zijn geweest”.

Fasseur laat in een interview met onderzoekers van het KITLV in Leiden in 2014 merken dat de gevoeligheid onder veteranen – de meeste jongens hadden net de oorlog tegen Duitsland meegemaakt – niet alleen bij de regering maar ook voor hem een valide argument was tegen waarheidsvinding. „Je eigen vaders, broers, om dan te zeggen, jij misschien niet, maar je maten hebben zich schuldig gemaakt aan oorlogsmisdaden?” Dat kon toen helemaal niet. Toch schrijft hij in zijn boek Weg naar het paradijs uit 1995 maar ‘kort’ stil te willen staan bij het excessendebat, want er was wat hem betreft al voldoende over geschreven.

Fasseur legde ook angstvallig de nadruk op neutraliteit. Hij zag zichzelf als „een zoveel mogelijk, onpartijdige rechter die de relevante geschiedenis verzamelt en presenteert” zegt hij in Meijers bundel. Maar hij deed vooral archiefonderzoek. Oral history, het spreken met getuigen, werd door historici lang als minder betrouwbaar gezien. Geconfronteerd met getuigenissen van Indonesische slachtoffers, zoals opgespoord door onderzoeker en activist Max van der Werff voor het televisieprogramma Altijd Wat van de NCRV in 2013, liet Fasseur ondergetekende desgevraagd weten: „Die mensen zijn in de war met geweld van hun eigen leger!” Leidse KITLV-onderzoekers hebben geluidsopnamen waarop hij zegt: „Het idee dat een dergelijk massaal bloedbad ongemerkt voorbij zou gaan, dat is natuurlijk volstrekt uitgesloten.” De beleving van Indonesiërs werd afgedaan als onbetrouwbaar.

Historica Petra Groen had in 1990 gemeld dat het om een guerrillaoorlog ging, maar vijf jaar later sprak Fasseur in Weg naar het paradijs nog steeds niet over een oorlog. Dat deed hij wel in zijn memoires. Historicus Rémy Limpach deed vorig jaar als eerste de uitspraak dat buitensporig geweld van het Nederlandse leger „structureel” was en geen incidentele „excessen”, zoals de politieke uitspraak volgend op het onderzoek van Fasseur al die tijd had geluid. De reactie van Fasseur op die aankondiging aan ondergetekende was opmerkelijk. „Dat wist iedereen.” Alleen kon je dat in 1969 niet zeggen.

Maar waarom zette hij zich dan later niet in om deze misstand waaraan hij mee had gewerkt grondig op te helderen? Het bleef bij een geanonimiseerde brandbrief in 1969 in Vrij Nederland, waarin hij pleitte voor openbaarheid van de archieven. Ook viel hij historicus Lou de Jong in 1987 weliswaar bij toen deze het woord ‘oorlogsmisdrijven’ wilde inzetten in de conclusies van zijn magnum opus, maar zelf gebruikte hij het niet. Fasseur liet in de pers meer dan eens vallen dat er meer onderzoek nodig was, maar lijkt daar in zijn recent verschenen memoires Dubbelspoor toch op terug te komen. „Waarom opnieuw alle wandaden, die over en weer waren begaan en de aantallen daarbij gevallen slachtoffers in kaart brengen?”

In zijn memoires noemt Fasseur het gegoochel met termen niet meer dan „een woordenspel.” Maar de Britse genocide expert Phillippe Sands beargumenteert in zijn recente boek East West Street dat de betiteling van geweld juist wel belangrijk is voor de maatschappelijke begripsvorming van de ernst ervan. Het langdurig labelen van bruut geweld met eufemistische termen lijkt geen ‘woordenspel’ te zijn geweest, maar eerder het vasthouden aan dwaallichten.

Scagliola omschrijft de houding van Fasseur in het excessendebat als „de discretie van de leidende klasse: wegkijken voor zaken die ongemakkelijk zijn”. Deze ontwijkende houding van academici, die spreken over ‘politionele acties’ en ‘excessen’, had zijn weerslag op het denkkader van jongere historici. „Je moest van goede huizen komen om dat te doorbreken” zegt Wim van den Doel, hoogleraar en decaan aan de Universiteit Leiden, die bij Fasseur promoveerde.

Historicus Martijn Eickhoff (NIOD) noemt het een „geïnternaliseerd zwijgen”. Gert Oostindie onderschrijft dat het te lang heeft geduurd voordat kritiek van activisten zoals de Indonesiër Jeffry Pondaag geassocieerd werd met historische feiten. Pondaag klaagde de staat met advocate Liesbeth Zegveld in 2011 effectief aan voor oorlogsmisdrijven en dat brak de zaak toen open, ook onder de academici. Onderzoeksinstituten KITLV, NIOD en het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) deden daarop voor het eerst een oproep tot grootschalig onderzoek, die de regering niet honoreerde. Als de vorige generatie historici dat had gewild, had dat al in de jaren tachtig kunnen gebeuren, aldus Oostindie. „Juist toen hadden universiteiten meer geld en vrijheid. Daar had de politiek niets mee te maken” Maar vermoedelijk uit angst om niet serieus genomen te worden, stond er lang geen historicus op die van de gebaande paden afweek. Zolang niemand er belang bij had, werd de vraag wat er nu precies was gebeurd en waarom, liever niet gesteld.

Lees hier een uitgebreidere, Engelse versie van dit artikel.