Hoe afkomst onder de huid van vriendschap kruipt

Opinie Toen ze scholieren waren, dachten Aliya Altintas en Larissa Pans dat integreren vanzelf zou gaan. Een kwart eeuw later laat de ‘venijnige tweedeling’ hun vriendschap niet onberoerd. „Wat bedoel je met moslima-light?”

foto olivier middendorp

Vlak na een moskeebezoek heb ik, Aliya, per ongeluk mijn hoofddoek nog op. Ik wacht voor het zebrapad. Nederlandse automobilisten kijken mij vies aan, sommigen geven zelfs nog een extra dot gas. ‘Nederracisme’ – ik kijk er helaas niet meer van op.

Fiets ik, Larissa, voorbij in een spijkerjurkje, dan zet ik me al schrap voor het gesis van moslimmannen of het onvermijdelijke ‘hoer!!’. Ik denk niet langer relativerend. „Ach, ze weten niet beter”, ik ben pissig. Ik wil naar hen roepen: „Waarom gunnen jullie het je dochters niet dat zij met heerlijk wapperende haren voorbij fietsen? Als een meisje van twaalf de haren moet bedekken omdat ze anders een man verleidt, wie zit er dan fout?”

Wij, Aliya en Larissa, geloven niet meer zo in Nederland als bloeiende, multiculturele samenleving, waarin iedereen gelijke kansen zou hebben. Al heeft onze vriendschap stand gehouden.

Dit jaar zijn we vijfentwintig jaar vriendinnen, een kwart eeuw Turks-Nederlandse betrekkingen, zeggen we zelf. We voelen onbehagen over de verharding in de maatschappij, over het oplaaiende wij-zij denken bij allerlei nationale en internationale kwesties en we merken hoe onze angst voor een oorlog toeneemt- hoe die er ook uit mag zien. Hoe ‘multiculti’ zijn wij anno 2016 nog?

„Afkomst is steeds minder een noodlot geworden”, stelde politicoloog Paul Scheffer in 2000 in zijn spraakmakende artikel Het multiculturele drama in NRC Handelsblad. Standen en klassen verloren hun scherpe randen, de sociale ongelijkheid werd kleiner.

Maar we zijn er nog lang niet, schreef Scheffer ook. Er kwam een nieuwe, ‘veel venijniger’ tweedeling in de Nederlandse samenleving aan: tussen autochtonen en allochtonen. Is die er gekomen?

Hoe het begon: 1991

We schelen maar drie dagen in leeftijd. In 1991, in 3-havo werden Aliya en ik klasgenoten. Was dat niet gebeurd, dan hadden onze levens elkaar waarschijnlijk nooit gekruist. We zaten op een multiculturele scholengemeenschap avant la lettre: het Vellesan College in IJmuiden, de eerste school in Nederland die experimenteerde met een ‘schakelklas’, een klas waar vluchtelingkinderen vanuit brandhaarden uit de hele wereld Nederlands leerden en lessen volgden met reguliere leerlingen.

Aliya was de dochter van een Turkse gastarbeider die in papierfabriek Crown Van Gelder werkte en een moeder met een hoofddoek. Larissa was de dochter van de conrector en leraar wiskunde op het Vellesan. We schreven melige briefjes in elkaars agenda’s, kregen de slappe lach en maakten voorzichtig kennis met elkaars familie.

We waren beiden outsiders in een klas met ‘Sjonnies en Anita’s’, paardenmeisjes, goedgebekte hockeykids, enkele in zichzelf gekeerde vluchtelingenkinderen uit voormalig Joegoslavië en kinderen van Turkse en Marokkaanse gastarbeiders die bij de Hoogovens werkten. Veel docenten geloofden hartstochtelijk in kansen voor iedereen; het stapelen van niveaus werd aangemoedigd.

Het Vellesan College bracht het socialistisch ideaal om het beste uit leerlingen van allerlei culturen te halen begin jaren negentig van de vorige eeuw voortvarend in de praktijk. Er was een schoolfonds voor kinderen die het boekenpakket niet konden betalen, er werd een vervangende, goedkope activiteit georganiseerd voor moslimmeisjes die niet mee mochten op kamp, allochtone leerlingen kregen lessen in Eigen Taal en Cultuur. Integreren zou vanzelf gaan.

Op papier lijken onze levens erg op elkaar: we zijn beiden veertig jaar, hebben gestudeerd (Larissa studeerde geschiedenis en journalistiek aan de Rijksuniversiteit Groningen, Aliya Personeel & Arbeid aan de Hogeschool van Amsterdam, op latere leeftijd nog Sociaal Culturele Wetenschappen aan de Vrije Universiteit) werken, zijn getrouwd (Aliya twee keer) en hebben beiden drie kinderen. Aliya is opgeklommen, maar blijft in de praktijk ‘die Turkse’ – hoe Nederlands ze ook is. Larissa maakt nooit racisme mee.

Aliya:

„Als het even tegenzat, was ik op school ‘die vuile Turk.’ Ik raakte gewend aan dat woord. Ik wilde erbij horen, maar dat was een mission impossible. Want ik was Turks en mocht niks. Schoolreisjes, op kamp, uitgaan – dat soort dingen waren voor mij uit den boze. Ik loog over de reden waarom ik niet mee ging, verzon wat voor ‘leuke dingen’ ik in het weekend had gedaan. Meedogenloos, dat is het woord dat in me opkomt als ik aan mijn medeleerlingen denk.”

Larissa:

„Ik kreeg meteen het predicaat ‘professor’ toen medeleerlingen door kregen dat ik uit vrije wil boeken las. Mijn vader vond dat zijn kinderen meer moesten meekrijgen van de échte wereld en dus gingen wij naar zijn school, het Vellesan College. Ik kwam van een spierwitte basisschool, waar mijn klasgenoten checkten of je wel een Oililymerkje in je jas had. Een complete cultuurschok was het.”

Aliya:

„Over Nederlanders spraken wij thuis niet. ‘Ongelovigen’, zei mijn vader altijd. Ik ging iedere zondag naar de Koranschool in Haarlem. Als je je huiswerk niet had gemaakt, kreeg je daar een tik met een stok op je open handen. Mijn vader gaf mijn zus en mij wel de vrijheid om zelf te bepalen of we een hoofddoek wilden dragen. Wij wilden dat niet. Ik kreeg daarna vaak vragen over mijn geloof. Waarom ik geen ‘doekje’ of ‘kapje’ droeg en waar we onze schapen slachtten. Ik vond de vragen wat vreemd, maar schroomde niet om ze te beantwoorden. In die tijd was moslim-zijn niet echt een issue en waren de vragen onschuldig. Ik vond het leuk om er over te vertellen.”

Larissa:

„Ik wist dat Aliya islamitisch was, maar we hadden het er nooit over. Ik vond het hoogstens wel interessant. Mijn opa zei altijd: ‘Van geloof komt alleen maar oorlog’. Zelf was hij in de ban gedaan door zijn zwaar-katholieke Limburgse familie toen hij besloot te trouwen met een atheïstische Groningse vrouw, mijn oma. Ik vond het een ouderwetse opmerking; geloof was toch verworden tot onschuldige folkore?”

Hoe het nu is: 2016.

Larissa:

„Anno 2016 klinkt de term ‘multicultureel drama’ niet meer overtrokken. „Angst is een konijn: het fokt als een dolle en baart nesten vol nieuwe angst”, schreef Volkskrant-journalist Bert Wagendorp onlangs. Die uitspraak is bij mij blijven hangen. IS, terreur, vluchtelingenstromen, Erdogans machtspolitiek, populisme, islamofobie en antisemitisme hebben zich als ongenode gasten in onze samenleving genesteld. Aliya’s kinderen zijn Nederlands-Turks , mijn kinderen Nederlands en half-Joods. Onze kinderen moeten hier straks mee dealen. ’s Nachts heb ik wel eens nachtmerries over ontploffende bommen en een uitputtende vlucht met een of twee kinderen in mijn armen, me ondertussen in paniek afvragend waar nummer drie is gebleven.”

Aliya:

„Ik vind het verschrikkelijk dat er een enorme smet op de islam zit. Dat een hoofddoek in het hoofd van veel mensen voor onderdrukking staat. Ook in jouw hoofd, Larissa. Het is allemaal beeldvorming. Ik maak mij hier heel kwaad over, maar ben ook radeloos.

„In mijn beleving wordt er met twee maten gemeten. Vliegt een piloot zijn vliegtuig met daarin honderden mensen tegen een berg, dan is hij depressief. Had hij Mohamed of Khalid geheten, dan was hij niet depressief maar een terrorist geweest.

„Ook wij Turkse Nederlanders worden cynisch. Opmerkingen als: ‘Kijk maar uit, misschien heb ik een bom’ is een grap die we onder elkaar vaak gebruiken. Sinds de opkomst van IS word ik als moslima aangekeken op ellende die ik niet heb veroorzaakt.”

Larissa:

„Ik voel me aan alle kanten bedreigd: als vrije vrouw, als feminist, als moeder van half-joodse kinderen en joodse stiefkinderen, als atheïst en als gelover in het vrije woord. Ik ben niet langer politiek-correct. Mijn morele kompas is op drift geraakt. De kracht van geloof onderschat ik niet meer. Geloof is voor mij steeds meer een infiltratie van de geest. Het adagium van mijn opa (‘van geloof komt alleen maar oorlog’) is actueler dan ooit.

„Waar deze eindeloze polarisatie toe leidt? Ik denk niet dat Rutte, Samsom en andere politici daadwerkelijk bij machte zijn om onze behoorlijk gescheiden manier van samenleven te veranderen. Het is taaie materie, het is bovendien electoraal riskant en ik vrees dat ‘t ze ook gewoon aan lef ontbreekt op dit punt.”

Aliya:

„Ik ben pessimistisch over de toekomst. Steeds meer allochtonen zullen zich terugtrekken in eigen kring. Politici moeten meer laten zien hoe je op een fatsoenlijke manier met elkaar omgaat. Waarom toont Mark Rutte, die toch ook mijn leider is, niet meer moreel leiderschap? Hij is altijd vaag over belangrijke onderwerpen, over racisme of de vluchtelingencrisis bijvoorbeeld. Je zal hem ook nooit in een moskee zien.”

Larissa:

„Aliya is voor mij een moslima-light. Ze draagt in de moskee een hoofddoek, drinkt geen alcohol, leeft haar eigen leven, maakt haar eigen keuzes. Mijn tweedeling in de samenleving is deze: ik deel mensen in in ‘redelijken’ en ‘onredelijken’. Aliya hoort voor mij bij de redelijken.”

Aliya:

„Wat bedoel je met moslima-light? Ik vind een hoofddoek niet voor onderdrukking staan. Allah wil dat je gelooft met je hart. Er zou geen druk moeten zijn.

„Als hogeschooldocent Business Studies heb ik een maatschappelijke rol. Ik ga in gesprek met mijn studenten, pijnlijke confrontaties zijn dat vaak. Studenten vertellen me dat ze op Wilders gaan stemmen, dat Nederland te vol is met al die moskeeën. Soms denken ze dat ik mijn diploma’s in Turkije hebt ‘gekocht’.

„Ik heb niet het idee dat ik mijn studenten van gedachten kan veranderen. Ik krijg steeds meer het gevoel dat moslim-zijn een misdaad is. Als collega-docenten mij vragen wat ik van IS vind, moet ik weer verdedigen waarom ik moslima ben.

„Ik zie wel één lichtpunt: mijn kinderen. Ik ben er trots op dat mijn man en ik onze kinderen de vrijheid geven om hun eigen ik te ontwikkelen. Wij maken niet de fouten die onze ouders hebben gemaakt. Ik duw mijn kinderen niet een bepaalde kant op, maar wil ze met open vizier de wereld laten ontdekken.”

Larissa:

„Alleen op microniveau kunnen we iets doen, dat gevoel heb ik ook. Mijn zoontjes vinden hun voetbalvriendjes met Turkse, Surinaamse en Marokkaanse roots volkomen vanzelfsprekend. Ze hebben slechts één belang: valt er mee te voetballen of niet? We leven in een tijd waarin alles besmeurd raakt met een laagje politieke-ideologische olie, het tast elke kwestie (boerkini, Sinterklaasfeest) aan. We draaien steeds meer vast in die smurrie.

„Privé zijn we gelukkig wendbaarder dan de doorgedraaide wereld om ons heen. Aliya en ik schrijven geen melige briefjes meer in elkaars agenda’s, we spreken af, bellen, mailen en appen over ons leven, Erdogan, IS en de sportschool. Dat is misschien al heel wat.”

Aliya:

„De verharding in de maatschappij heeft onze vriendschap niet aangetast. Jij respecteert mij zoals ik ben. Ik deel jouw tweedeling in redelijken en onredelijken. Die kloof wordt overigens alleen maar groter. Ik heb moeite met de groep mensen die steeds openlijker uitkomt voor hun haat, tegen mensen die ‘anders’ zijn dan zij. Voorheen dacht ik: ‘Dommigheid, laat maar’, nu denk ik: ‘Ik ga de discussie aan.’ Ik wil met mensen in gesprek blijven over waarom ze mijn geloof beangstigend vinden, maar het stemt me wel somber.”

Larissa:

„Deze zomer zagen we elkaar in een speeltuin in IJmuiden. Daar komt een gemengd publiek: de Sjonnies en Anita’s van weleer met hun kinderen en veel gezinnen met Turkse, Surinaamse en Marokkaanse wortels. Wij namen onze twee jongste kinderen mee. Aliya was er al. Ik overhandig de vrijwilligster bij de kassa drie euro, voor mij en mijn kinderen. Zij wees op mijn hoogblonde dochtertje van anderhalf en zei: ‘Je dochter is nog klein hè. Die hoeft geen entree te betalen hoor.’ Ik bedankte haar en lachte, tot ze er met een knipoog aan toevoegde: „Jij en je kinderen hebben het juiste kleurtje.”