Het liegende geheugen

Psychologie

Mensen vervormen hun herinneringen in het licht van nieuwe gebeurtenissen. Psycholoog Douwe Draaisma schreef er een boek over. „Herinneringen heb je eerder in versies dan in waarheidsgetrouwe verslagen.”

Het zevende boek van Douwe Draaisma heet Als mijn geheugen me niet bedriegt en heeft als motto een citaat van wijlen de striptekenaar Marten Toonder: ‘…omdat iets wat in de jeugd gebeurd is, dikwijls het gevolg is van een voorval op oudere leeftijd.’

Een doordenker.

„Ik kwam het tegen in een recensie”, zegt Draaisma bij een broodje mozzarella in een Amsterdamse lunchroom. „Daarin werd het afgedaan als jungiaanse onzin, maar ik meende onmiddellijk te begrijpen wat hij ermee bedoelde. Dingen die verderop in je leven gebeuren kunnen je herinneringen zo veranderen dat je een ander verleden krijgt. Als ik het citaat bij lezingen laat zien, zijn er altijd mensen die opspringen om het te fotograferen, met name huisartsen en psychotherapeuten en psychiaters. Zij zijn gevoelig voor het idee dat patiënten pas op hun dertigste een overheersende moeder hebben.”

Met terugwerkende kracht dus.

„Ja. Of ze blijken een andere biologische vader te hebben, waardoor het opeens een heel nieuwe betekenis krijgt dat jij als klein jongetje je rapport altijd aan die ene oom moest laten zien.”

U beschrijft in uw boek een herinnering aan uw kleuterjuf waaraan u op uw dertigste opeens begint te twijfelen.

„Mijn moeder was naar school gekomen om iets met haar te bespreken, alle kinderen waren al naar huis. Ik zit naast de juf op de onderste trede van de trap naar het schoolplein. Ze slaat haar arm om me heen en zegt tegen mijn moeder dat ze me graag nog een jaartje bij zich wil houden. Het is niet meer dan een flard en ik had het er nooit met iemand over gehad, tot het gesprek een keer kwam op kinderen die een jaar langer op de kleuterschool bleven. Ik begin te vertellen en voor het eerst bedenk ik dat het natuurlijk niet kán, een juf die een kind zomaar bij zich wil houden. Midden in de zin daagde het me dat ik blijkbaar nog niet rijp was geweest voor de lagere school.”

Op dat moment veranderde de herinnering?

„Als een kussen dat een stomp krijgt om het een passende vorm te geven. Er is nu iets van gêne bijgemengd, een opgelaten gevoel: hoe kon ik zo laat doorhebben dat de vermeende liefde van de juf voor mij niet de reden was geweest dat ik drie jaar op de kleuterschool had gezeten. Iemand vertelde me – sinds ik dit boek ben gaan schrijven krijg ik steeds voorbeelden van aangepaste herinneringen – dat hij onlangs een oogonderzoek had ondergaan en daaruit was gebleken dat hij een deel van zijn gezichtsveld rechts miste. Die jongen had een verleden van altijd overal tegenop botsen, tafels, deurposten, lantaarnpalen. Hij stond bekend als onhandig en nu was duidelijk: hij zag het gewoon niet. Het geeft hem met terugwerkende kracht een andere identiteit.”

Gebeurtenissen uit het verleden, schrijft u ook, worden soms later pas als traumatisch beleefd. Dan denk je al snel aan seksueel misbruik.

„Het contact had toen geen seksueel label, omdat je te jong was, maar later wel. En dan krijgt zo’n herinnering een heel andere duiding. Dat kan zeer ontregelend zijn.”

Mensen kunnen herinneringen ook vervormen omdat ze verklaring zoeken voor hun ongeluk of hun falen.

„En dan met versies van hun jeugd komen waarin de herinneringen als het ware worden voorgesorteerd voor wat er later van hen geworden is. En geen therapeut die zal zeggen: nou, ik ken je moeder toevallig en ze was helemaal niet dominant.”

Waar blijft de waarheid?

„Die doet er pas toe als de vervorming ook consequenties heeft voor andere mensen. Het begint al als een echtpaar in therapie gaat en ze hebben een meningsverschil over wat er in hun huwelijk is voorgevallen. In de forensische sfeer is het helemaal lastig. Als mensen alsnog een aanklacht willen indienen, wegens al dan niet vermeend misbruik bijvoorbeeld, dan begint de realiteit een harde muur te worden waarbij ‘ieder zijn of haar eigen waarheid’ niet meer vol te houden is.”

In een van de hoofdstukken in uw boek gaat het over debriefing, een techniek om te voorkomen dat een psychisch trauma ontaardt in een posttraumatisch stress-syndroom.

„Die is in de jaren zeventig bedacht na een dodelijk ongeluk in Baltimore, waarbij een jonge vrouw na haar bruiloft in volle vaart achterop een vrachtwagen reed die was beladen met stalen pijpen. Een van de pijpen doorstak haar borstkas. De man die als eerste ter plaatse was, een onderwijzer, tevens lid van de vrijwillige brandweer, kreeg in de weken daarna het beeld van de dode vrouw in haar bebloede trouwjurk niet meer van zijn netvlies. Na maanden ging hij erover praten met zijn broer, ook lid van de brandweer, en toen merkte hij dat het hem goed deed. De herinnering verloor iets van zijn grimmige lading. In de jaren daarna ontwikkelde hij in gesprekken met brandweerlieden en politiemensen een protocol dat moest voorkomen dat gruwelijke herinneringen bleven rondspoken in herbelevingen en nachtmerries.”

Vervolgens laat u zien dat debriefing een psychisch trauma ook juist kan versterken.

„Niets zo veranderlijk als de psychiatrische inzichten over hoe je een trauma moet behandelen. In de tijd van de treinkapingen, jaren zeventig, werden mensen na hun bevrijding meteen naar het ziekenhuis in Groningen vervoerd voor debriefing-gesprekken. Tegenwoordig gebeurt het omgekeerde. Mensen die iets zeer bedreigends hebben meegemaakt gaan eerst naar huis, waar ze zich veilig voelen en hun verhalen kwijt kunnen aan hun dierbaren. Debriefing kan een averechts effect hebben, omdat de verhalen van andere mensen je ervan kunnen overtuigen dat je iets verschrikkelijks hebt meegemaakt waar je niet vanzelf overheen kunt komen. Bij kinderen zie je dat de reactie van ouders bepalend kan zijn voor het al dan niet ontstaan van een trauma. Als zij een gebeurtenis enorm groot maken, dan wórdt die ook enorm groot.”

Maakt het u niet wantrouwig over welke behandeling van trauma’s dan ook?

„Nou ja, psychiatrie is een moeilijk vak en het feit dat dingen nu anders worden gezien dan twintig jaar geleden – ik draag het psychiaters niet na. Het klinkt onwetenschappelijk, maar de maatschappij verandert en mensen veranderen ook. Iemand die in de Tweede Wereldoorlog is opgegroeid heeft een andere manier om een trauma te verwerken dan iemand die in de jaren vijftig of tachtig is opgegroeid.”

Het langste hoofdstuk van uw boek gaat over de Unabomber…

„…de man die in de jaren zeventig in Amerika aanslagen pleegde met bombrieven aan vooraanstaande figuren in de wetenschap en de techniek. Hij was zelf afgestudeerd aan Harvard en gepromoveerd in de zuivere wiskunde.”

Na zijn ontmaskering worden allerlei diagnoses gesteld die allemaal aannemelijk klinken, maar elkaar wel uitsluiten.

„De ene psychiater zegt: geheid aspergersyndroom. Nee, zegt de andere. Typisch een geval van schizofrenie. Weer een ander vindt dat hij aan achtervolgingswaanzin lijdt, of aan grootheidswaanzin. Het punt is: op een gegeven moment is er zoveel over die man bekend – zijn jeugd, zijn familie, zijn eenzaamheid, zijn woede – dat je door het rangschikken van de feiten alle kanten uit kunt.”

Denkt u niet steeds vaker bij het horen van verhalen, ook als ze gebaseerd lijken te zijn op feiten: dit is ook maar een versie van de werkelijkheid?

„Laat ik het zo zeggen: ik had dit boek niet op mijn veertigste kunnen schrijven. Je moet denk ik zelf ervaring hebben met revisies in je herinneringen om te kunnen voelen dat je ze niet allemaal langs de maatstaf van betrouwbaarheid of realiteit of waarheid of leugen kunt leggen. Herinneringen kunnen op verschillende momenten in je leven verschillende gedaanten aannemen, als gevolg van dingen die je zijn overkomen.”

U wijdt niet voor niets een hoofdstuk aan de film ‘Rashomon’ van Akira Kurosawa.

„Ja, een film uit 1950, een van de eerste met een onbetrouwbare camera. De toedracht lijkt simpel – een moord, een verkrachting – en bij de eerste versie die je te zien krijgt denk je: dit is de waarheid. Maar dan krijg je nog drie andere versies, allemaal even overtuigend, en welke waar is blijft in het midden. Rashomon kreeg in de jaren zeventig een iconische status, men ging spreken van het ‘rashomoneffect’ in situaties waarin het niet meer lukt om uit verschillende getuigenissen de ware toedracht te achterhalen. Rashomon is een mooie metafoor voor hoe ons geheugen werkt. Herinneringen heb je eerder in versies dan in waarheidsgetrouwe verslagen en ze worden gekleurd door hoe je in een bepaalde fase in je leven bent.”

U gaat nog een stap verder en schrijft dat zelfs toekomstige herinneringen worden gekleurd door hoe je bent.

„Het zogenaamde eindeffect van Kahneman, de bekende Nobelprijswinnaar. Ik had er nog nooit van gehoord, maar dat heeft als portee dat hoe iets eindigt, de laatste fase, een enorm vertekenende invloed heeft op de hele episode die eraan vooraf ging. Een huwelijk dat ontaardt in een nare scheiding wordt herinnerd als een slecht huwelijk, al ben je dertig jaar gelukkig geweest. Zelfs als je weet dat het zo is, ben je er toch aan onderhevig. Mensen die hun loopbaan niet prettig beëindigen, en dat is in één op de drie gevallen zo, gaan hun hele loopbaan in dat licht zien.”

Heeft dat ook te maken met je karakter, de mate waarin je bereid bent je eigen toekomstige herinneringen te verpesten?

„Ja, maar met name op oudere leeftijd kunnen mensen enorm vast blijven zitten in het verhaal over hoe ze eruit zijn gezet omdat ze niet meer konden meekomen. Het is bijna een metafoor voor het leven als geheel, vind je niet? In grote lijnen ga je van jong en fit en gezond naar oud en krakkemikkig en inflexibel, wat evolutionair volkomen te begrijpen is, optimaal voor de reproductie. Maar als existentieel arrangement is het belabberd.”