God is een vrouwenhater

Geweld tegen vrouwen

Massaverkrachting, vrouwenhandel, eermoord, vrouwenbesnijdenis. De Britse journaliste Sue Lloyd-Roberts beschrijft het in een belangwekkend boek, haar testament.

Reshma Quereshi, het Indiase model dat een zuuraanval overleefde, vlak voordat ze de catwalk opgaat voor de zomercollectie van ontwerper Archana Kochhar tijdens de New York Fashion Week. Foto Lucas Jackson / Reuters

Dat God duidelijk geen feminist is, zoals BBC-journaliste Sue Lloyd-Roberts schrijft in de openingspagina’s van De oorlog tegen vrouwen, lijkt na lezing van haar boek een understatement. God is een vrouwenhater. Of het nu het christelijke, het joodse of het islamitische opperwezen is, het controleren en beknotten van vrouwen is de gemene deler van alle orthodoxie.

Als het God niet is, dan is het wel traditie. In haar openingshoofdstuk vertelt Lloyd-Roberts het verhaal van de Gambiaanse Maimouna, die door de traditie (in de Koran is niets over besnijdenis te vinden) de volgende besnijdster van haar dorp moet worden.

Als Maimouna de beentjes van haar krijsende vijfjarige dochtertje Ami moet vasthouden terwijl het meisje besneden wordt door haar grootmoeder, Maimouna’s moeder, vlucht zij. Ze heeft Ami en haar vier zoons al jaren niet gezien, maar zolang zij niet terugkeert, heeft het dorp geen besnijdster en zijn andere meisjes in het dorp tenminste veilig.

Mochten God en cultuur nog niet genoeg zijn om vrouwenlevens te vernielen, dan is er nog oorlog, blijkt uit Lloyd-Roberts’ hoofdstukken over massaverkrachtingen in Congo en Bosnië. Normen gelden niet meer, de ene helft van de mensheid kan zich straffeloos uitleven op de andere helft.

Vlak tenslotte de vrije markt niet uit. Een van de schrijnendste hoofdstukken draait om de handelaars in Moldavische tienermeisjes die de markt van VN-vredessoldaten in het voormalige Joegoslavië moesten bedienen. Een van hen, Monica, vertelt hoe ze haar klanten, Amerikaanse blauwhelmen, smeekte om hulp. Maar ze konden niet helpen, zeiden ze. Hun bordeelbezoeken waren illegaal en ze zouden hun baan kwijtraken als ze iets ondernamen.

De oorlog tegen vrouwen is een deprimerende catalogus van misdaden tegen de vrouwelijkheid. De auteur, een voormalig BBC-journaliste, blijkt een geweldig vertelster, die de kunst verstaat je met haar stijgende verontwaardiging te besmetten – wie het boek dichtslaat, kookt van woede.

De oorlog tegen vrouwen is Lloyd-Roberts’ testament. Ze maakte decennia lang tv-documentaires voor de BBC; in 2015 overleed ze op 64-jarige leeftijd aan leukemie. De onverschrokken Lloyd-Roberts was de eerste journaliste in het belegerde Homs in Syrië, ze rapporteerde over Chinese orgaanhandel, ze toonde aan dat in Roemenië baby’s werden verkocht. Onder collega’s gold ze als ‘correspondent hopeloze gevallen’.

Al werkend trof haar het feit dat hopeloze gevallen doorgaans vrouwen zijn. De helft van de bevolking geldt in niet-westerse landen vaak als tweederangs burger, en heeft in sommige naties – Pakistan, India – de status van een lastdier, naar believen te verkopen, te mishandelen, af te danken of te doden.

Meisjesbaby’s

Doordat de reportages in dit boek in de loop der jaren zijn verzameld, doen de onderwerpen soms wat gedateerd aan, zoals de explosie van vrouwenhandel in Oost-Europa na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie.

Inmiddels hebben meer landen wetten tegen zaken als eermoord en vrouwenbesnijdenis, waarvan omvang en onrecht in de jaren tachtig en negentig mede dankzij Lloyd-Roberts pas goed duidelijk werden.

Helaas betekent het feit dat deze onderwerpen nu geen groot nieuws meer zijn, allerminst dat ze niet meer bestaan. Zelfs een uit opportunisme geboren misstand als seksueel misbruik door VN-soldaten is niet uitgebannen – eerder gewoon geworden.

Een van de treurigste aspecten van Lloyd-Roberts’ boek is dan ook de hardnekkigheid van de misdadige tradities die ze beschrijft. Toen Frankrijk in 1983 een ban instelde op vrouwenbesnijdenis, namen ouders het vliegtuig naar het Verenigd Koninkrijk. Toen Turkije levenslang zette op eermoord, nam het aantal ‘zelfmoorden’ onder jonge meisjes toe. De praktijk dat meisjesbaby’s in India worden gedood of aan hun lot overgelaten raakt uit de tijd – door selectieve abortus na echo’s worden die meisjes nu niet meer geboren.

India is het land dat in 2012 bij een enquête onder experts in vrouwenrechten naar voren kwam als het slechtste land ter wereld om een vrouw te zijn, na Saoedi-Arabië, Indonesië, Zuid-Afrika en Mexico.

Democratie, moderniteit en 21ste-eeuwse techniek hebben de diepgewortelde ‘cultuur’ van rechteloosheid en mishandeling van vrouwen en meisjes niet uitgewist.

Integendeel; het lijkt juist frustratie over die oprukkende moderniteit die soms een rol speelt, zoals bij de schokkende verkrachting van de 23-jarige studente Jyoti Singh, door een groep van zes mannen in een rijdende bus in Delhi in 2012. Ze was naar de bioscoop geweest. Volgens de daders had een meisje niets te zoeken op straat.

Deze zaak leidde in India tot grote protestdemonstraties en vestigde internationaal de aandacht op de vogelvrije status van vrouwen in het land. India veroordeelde de daders ter dood.

Maar of streng straffen iets verandert aan de wergwerpmentaliteit van veel Indiase mannen jegens vrouwen, valt te betwijfelen. In een BBC-film uit 2015 zegt één van de ter dood veroordeelde daders dat de doodstraf de situatie voor vrouwen alleen maar verergert. Om die straf te ontlopen zijn mannen nu wel gedwongen de vrouw die ze verkrachten dood te maken, vindt hij.

In India, schrijft Lloyd-Roberts schuimbekkend, ‘wordt elk uur een vrouw vermoord vanwege een bruidsschat’ en ‘wordt iedere twaalf seconden een meisjesfoetus geaborteerd’. ‘De ellendige werkelijkheid in India is dat een meisje al op haar zesde getrouwd kan zijn, op haar twaalfde moeder kan worden en begin twintig al een geheel verwoest lichaam kan hebben.’ Het is zoals de advocaat van één van Singhs verkrachters het formuleert: ‘In India hebben we de beste cultuur. In onze cultuur is geen plaats voor een vrouw.’

Lloyd-Roberts probeert ook lichtpuntjes te bieden. Ze ruimt plaats in voor de koppig volhardende vrouwen, en in mindere mate mannen, die zich verzetten tegen mishandeling en rechteloosheid, die bedreigde vrouwen een veilige haven bieden of op een andere manier proberen iets te veranderen.

Genderapartheid

Maar Lloyd-Roberts blijft in de eerste plaats een observator. Ze besteedt nauwelijks aandacht aan het waarom. Ze stelt bijvoorbeeld niet de vraag waar het vrijwel universele fenomeen van achterstelling van vrouwen eigenlijk vandáán komt. Is het de grotere fysieke kracht van mannen die hen de kans geeft? De biologische angst dat hun nageslacht niet van hen zal zijn, die hun controledrift voedt?

Hoe komt het überhaupt dat moderniteit, globalisering en techniek aan barbaarse tradities geen einde maken, maar die soms juist lijken te voeden? Hoe is het mogelijk dat de culturele angst voor eerverlies de biologische liefde voor het nageslacht verdringt, zoals bij de Pakistaanse ouders die hun ‘rebelse’ dochters eigenhandig vermoorden?

Tenslotte werpt het boek de vraag niet op waarom vrouwenrechten nauwelijks een rol spelen in de internationale politieke arena. Dat het genderapartheid heeft ingevoerd, heeft Saoedi-Arabië bijvoorbeeld niet tot paria van de internationale gemeenschap gemaakt.

Misschien stelt Lloyd-Roberts deze vragen niet, omdat ze geen antwoorden heeft. Dat is wel voorstelbaar. Woorden schieten eigenlijk al te kort voor de status quo die ze schetst.