Gij deugt, verstaat ge?

Jeroen Olyslaegers

Misantropie en mededogen: dat is wat de hoofdpersoon Wilfried Wils oproept in Jeroen Olyslaegers’ virtuoze roman over Antwerpen in de Tweede Wereldoorlog.

Laat ik er niet omheen draaien (u had de ballen al geteld): Jeroen Olyslaegers heeft een verdomd belangrijk boek geschreven. Ik zou u kunnen vertellen over de virtuositeit van Olyslaegers’ schrijfstijl; nu eens subtiel en bedachtzaam, dan weer meedogenloos en onstuimig. Hoe hij een zin ludiek aanvangt om vervolgens, na de komma, een mep te verkopen die akelig blijft nazinderen. Een stijl ‘op het scherp van het scheermes’.

Ik zou kunnen vertellen over de stem van hoofdpersonage Wilfried Wils, die mededogen afdwingt en tegelijkertijd oproept tot onverdeelde misantropie. Lichtvoetig, gelardeerd met wrange humor, doet de getourmenteerde man zijn verhaal. Geen moment doet die stem gekunsteld aan.

Ik zou kunnen vertellen hoe Olyslaegers de oorlogsjaren in het bezette Antwerpen, ‘stad van de diamant’, accuraat invoelbaar maakt; zowel de gruwelen als het in schoolboeken kariger vertegenwoordigde opportunisme dat er de kop opstak.

Waar Olyslaegers vooral in slaagt, wat zijn roman zo belangrijk maakt, is hoe hij continu de resonantie tot stand brengt met de huidige tijd.

We volgen Wilfried Wils door de Antwerpse straten terwijl hij zijn weg door de oorlogsjaren in kaart brengt. 1940. Wils is hulpagent geworden om zo de Duitse arbeidsdienst te ontlopen. Zijn voornaamste taak (‘voelt ge de „ambiguïteit” al krabben aan uw gat?’) is het oppakken van hen die zich aan diezelfde arbeidsdienst proberen te onttrekken.

Al snel hebben de arrestaties niet meer zoveel met werkweigering van doen; Wils wordt opgedragen ook joodse vrouwen, bejaarden en kinderen bij de Vlaamse verhuiswagens af te leveren. ‘Ik zou dat anders hebben aangepakt,’ aldus Wils, ‘maar wie zijn wij?’

Tijdens het meevoeren van zo’n joods gezin probeert een twaalfjarige jongen te vluchten. Er ligt ijs op de straten en al snel gaat het joch onderuit, waarop de Duitse Feldgendarm hem een schop geeft. Wils: ‘We zien hem letterlijk als een slee over het ijs gaan tot hij met zijn kop tegen een lantaarnpaal knalt en daar blijft liggen. De Duitsers lachen zich rot, en op zich is het ook een komisch zicht, ware het niet dat die moeder een kreet slaakt alsof iemand een gekarteld mes in haar buik draait.’

Antisemitisme was in die winter van 1940-’41 niet bepaald voorbehouden aan Duitse soldaten, zegt Wils. ‘Er waren er toen genoeg [...] die ambetant werden dat er nog joden rondliepen.’ Velen vonden de Duitsers zelfs een tikkeltje te verdraagzaam: ‘Gaan ze nu echt wachten tot die bende zich uit doodsangst zal aanpassen aan onze zeden en gewoonten? Dan kunt ge blijven wachten. Nooit ofte nooit zal dat gebeuren.’

Olyslaegers maakt invoelbaar hoe de gruwelijkheden die zich voor Wils neus afspelen, uitgevoerd zowel door leden van het verzet als door de collaboratie, maar nauwelijks met politiek of morele standpunten te maken hebben. Veeleer zijn de beweegredenen particulier: winstbejag, persoonlijke wrok, behaagzucht en – hoe banaal kun je het krijgen? – verveling.

Symbolische spil van de roman vormen twee beelden in het Antwerpse stadhuis, Vrouwe Justitia en Vrouwe Prudentia; rechtvaardigheid en voorzichtigheid. Net als het merendeel van de bevolking, net als de machthebbers, klampt Wilfried Wils zich vast aan deugd nummer twee, omdat de voorschriften van madame Justitia in oorlogstijd wat schimmig blijken. Terwijl hij met tegenzin een collaborateur van advies voorziet en met evenveel tegenzin een joodse diamanthandelaar helpt onderduiken, zet hij zich toch vooral in om niemand tegen zich in het harnas te jagen. ‘Ge zijt een crème van ne gast, gij,’ zegt zijn collaborerende vriend, ‘gij deugt, verstaat ge? Gij deugt.’

Wie deugt er en wie niet? Olyslaegers schudt de verhoudingen op, tot niemand nog onverdeeld Goed is en weinigen nog absoluut Fout. Hij wekt onaangename empathie voor de collaborateur, plaatst kritische kanttekeningen bij de ‘verzetsheld’, en geeft het woord aan de min of meer neutrale Wils, die zich als de Dulle Griet van Bruegel (‘haar ogen staan wijd opengesperd zodat ze alles en niets ziet’) door de oorlogsjaren heen beweegt. Is hij een huichelaar, die niemand kwaad wil doen en alleen maar hoopt dat alles zo snel mogelijk weer ‘normaal’ wordt? De vraag die continu mee vibreert: in hoeverre nemen wij eigenlijk onze verantwoordelijkheid? Het maakt Wil tot een confronterende roman. Over de weidse vlakte die zich (ook nu, ook hier) uitstrekt tussen de polen Goed en Fout.