EU-leiders willen macht ‘Brussel’ terugdringen

Na de Brexit

Op een top in Bratislava likten EU-leiders na de Brexit hun wonden. Ze zijn het over veel oneens, maar niet over ‘minder Brussel’.

„Is dit jouw vakantiehuisje?” Premier Rutte loopt de imposante binnenplaats van het kasteel van Bratislava op en zwaait naar zijn Luxemburgse collega Xavier Bettel. Rode lopers, kroonluchters, met veren uitgedoste soldaten. Dit is wel wat anders dan het grijze beton waarin ze normaal vergaderen in Brussel.

Het kasteel in de Slowaakse hoofdstad bleek vrijdag de ideale locatie voor de „intens eerlijke discussie” die Europees ‘president’ Donald Tusk wil voeren over de toekomst van de EU. De klassieke salon waarin de 27 leiders bijeenkwamen was relatief klein, iedereen kon elkaar diep in de ogen kijken. En dat was hard nodig.

Sinds de Brexit, het Britse besluit om de EU te verlaten, zitten de achterblijvers in de rats. De informele top, zonder de Britten, was de eerste aanzet tot wat intussen het ‘Bratislava-proces’ is gedoopt, een poging om in maart volgend jaar, wanneer in Rome het zestigjarig bestaan van de EU wordt gevierd, een plan klaar te hebben om Europa nieuw elan te geven. De ideeën hierover lopen uiteen. De Fransen vinden terrorisme-bestrijding belangrijk, de Oost-Europeanen pleiten voor harde Europese buitengrenzen en minder vluchtelingen, de Zuid-Europeanen voor meer banen en veel meer solidariteit in de vluchtelingencrisis.

De komende maanden moet hier chocola van worden gemaakt. EU-leiders presenteerden vrijdag een ‘roadmap’, een lijst goede voornemens op het gebied van migratie, veiligheid en economische kwesties. Harde besluiten werden vrijdag niet genomen, maar diplomaten zinspelen op een grote politieke uitruil.

Zo dringen West-Europese landen, zoals België en Nederland, erop aan dat Oost-Europa alsnog akkoord gaat met maatregelen tegen ‘sociale dumping’ – te goedkope arbeidsmigratie, waar bijvoorbeeld vrachtwagenchauffeurs de dupe van zijn. In ruil daarvoor zouden de Oost-Europeanen tegemoet kunnen worden gekomen in het vluchtelingendossier.

Over één ding lijken de EU-leiders het al wel redelijk eens: hun regeringen en nationale parlementen moeten weer meer te zeggen krijgen, want alleen zij, zo is de gedachte, kunnen de kloof met de burger overbruggen. Brusselse instituties, zoals de Europese Commissie en het Europees Parlement, moeten „niet hun eigen prioriteiten opdringen”, concludeerde Tusk eerder deze week. Maar, zo voegde hij eraan toe, dan moeten de hoofdsteden zelf harder aan de slag.

Dat valt niet mee, want lidstaten hebben er een handje van om niet uit te voeren wat ze elkaar eerder beloofden. Voorbeelden te over: het in 2015 in Parijs gesloten klimaatakkoord is al geratificeerd door China en de VS, maar EU-landen blijven pijnlijk achter, en ondergraven zo hun plek op het wereldtoneel. Afspraken over het eerlijker verdelen van vluchtelingen worden mondjesmaat uitgevoerd.

In hun gezamenlijke verklaring beloven de EU-leiders elkaar „loyale samenwerking en communicatie”. Dat ging overigens meteen al fout, toen de Italiaanse premier Renzi achteraf zei de tekst niet te onderschrijven. Hij vindt dat Italië meer steun verdient in de migratiecrisis. Renzi: „Ik volg geen script om mensen te laten geloven dat we het allemaal eens zijn.”