De steden puilen uit van lang vergane koralen en schelpdieren

De zomervakantie is weer achter de rug en dus worden ze massaal gedeeld: vakantiefoto’s. Van dat prachtige koraalrif in de Rode Zee, die imposante basaltzuilen op IJsland of die bijzondere fossielen aan de Portugese kust. De thuisblijvers roepen ‘oh, wat práchtig’ en ‘ééénig!’ – en schakelen dan gauw over op een ander onderwerp. Want kiekjes kijken is vooral leuk als je zelf ook wat kunt laten zien.

Gelukkig hoef je niet ver te gaan om goede koraalfoto’s te maken. Gewoon op een verregende dag naar hartje Utrecht, Rotterdam of Amersfoort gaan, en een van de routes uit het boekje Steengoeie wandelingen van geoloog Hans Oude Nijhuis volgen. Want in veel Nederlandse steden struikel je letterlijk over de fossiele honingraatkoralen: je vindt ze in stoepranden, drempels en bordestrappetjes. Die zijn gemaakt van Belgisch hardsteen, blijkt uit de wandelgids.

Oude Nijhuis stippelde tien wandelroutes met een geologisch tintje uit door Nederland. Langs de mergelgroeves in Limburg, de zwerfkeien in Drenthe, de dijken van Terschelling (deels opgebouwd uit vulkanische basaltzuilen) en de grindrijke Rijnoevers. En dwars door grote steden dus. Die blijken, als je op de ouderdom van de bouwstenen afgaat, vaak miljoenen jaren oud.

Het centrum van Rotterdam is weliswaar tijdens de Tweede Wereldoorlog grotendeels verwoest, maar de moderne gebouwen bevatten een uitgebreide geologische geschiedenis. Het fonkelnieuwe Rotterdam Centraal Station? De vloer is bedekt met migmatiet, dat in een ver verleden „diep in de aarde werd blootgesteld aan zeer hoge temperaturen en druk”. De lobby van het nabijgelegen Manhattan Hotel? Geplaveid met kalksteen van zo’n 200 miljoen jaar oud, vol fossiele resten van sponzen en ammonieten: uitgestorven inktvisachtige schelpdieren. Eenzelfde soort steen is te zien in winkelcentrum Hoog Catharijne bij Utrecht Centraal Station. Dat wil zeggen: voorlopig nog, want het winkelcentrum gaat op de schop. Enkele vloertegels zijn al vergeven aan enthousiaste amateurgeologen.

Oude Nijhuis laat in zijn routes zien hoe divers Nederland is qua natuursteen: een geologische lappendeken. Bij gebrek aan eigen rotsen haalden we ons bouwmateriaal overal vandaan. In de Utrechtse Domtoren vind je vulkanische tufsteen vlak naast schelpenrijke kalksteen - versteende resten van een tropisch strand. „De tufsteen werd via de Rijn en op vlotten uit de Eifel aangevoerd” in de Romeinse tijd, schrijft Oude Nijhuis. De kalksteen werd toegevoegd tijdens een recentere restauratie: zo weerspiegelen de stenen ook het architectonische modebeeld door de eeuwen heen.

De wandelgids is mooi vormgegeven, met veel foto’s en duidelijke routekaartjes. De beschrijvingen zijn helder en beknopt. Om het leesbaar te houden, heeft Oude Nijhuis een appendix met informatie over de gesteentecyclus, de geologische tijdschaal en diverse fossielen toegevoegd. Die had nog wel wat uitgebreider gekund – bij een foto van fossiele zeelelies verlang je naar wat tekst en uitleg over de soort.

De gids laat wandelaars en natuurliefhebbers op een andere manier naar Nederland kijken. Gebouwen zijn niet langer horizonvervuiling, maar aardkundige monumenten. Tot slot een tip van Oude Nijhuis: trek er juist op een regenachtige dag op uit voor de stadswandelingen. De fossielen zijn extra mooi te zien als ze nat zijn (een plantenspuit kan natuurlijk ook). Alleen de geologenhamer moet, hoe jammer ook, thuisblijven. Anders houden de binnensteden straks geen stoeprand meer over.