De antiliberale revolutie, een déjà vu

Caroline de Gruyter is correspondent in Wenen en schrijft wekelijks een column over politiek en Europa.

Frauke Petry, de voorvrouw van de Duitse anti-immigratiepartij AfD. Foto Markus Schreiber/AP

Gruyter, Caroline de 11-2013 032

In allerlei Europese landen zijn debatten gaande over de vraag of je partijen die vroeger ‘extreemrechts’ werden genoemd, niet een ander label moet geven. Is de PVV wel extreemrechts? En de AfD in Duitsland, het Franse Front National, of de FPÖ in Oostenrijk, die er op sommige punten (zoals pensioenpolitiek) nogal linkse denkbeelden op na houden? Partijleden vinden het vaak vervelend om als ‘extreemrechts’ aangeduid te worden. Is het verstandig hen tegen de haren in te blijven strijken? Kunnen we ze niet beter ‘populistisch’ noemen, of ‘radicaal’?

Zulke debatten tonen aan dat niet de partijen in kwestie zijn veranderd, maar de manier waarop de samenleving ernaar kijkt. Hans Janmaat, van de Centrumpartij, werd in de jaren negentig van de vorige eeuw veroordeeld wegens uitspraken als „Wij schaffen, zodra we de mogelijkheid en de macht hebben, de multiculturele samenleving af”. Nu, twintig jaar later, is dit gemeengoed geworden. Geert Wilders, Marine Le Pen en anderen doen tegenwoordig veel krassere uitspraken en zelfs dat vinden velen normaal.

Maar er is nog een reden om het label ‘extreem’ niet zomaar overboord te gooien. Lees het boek The Politics of Cultural Despair van de Amerikaanse historicus Fritz Stern, die eerder dit jaar overleed. Stern ontvluchtte als kind nazi-Duitsland met zijn ouders, net op tijd. Een deel van zijn Joodse familie overleefde de oorlog niet. Jaren later, in 1961, schreef hij het boek waarin hij het klimaat verkent waarin Hitler aan de macht kon komen. Het is een ‘pathologie’ van de culturele context in Duitsland vanaf eind negentiende eeuw, culminerend in de doorbraak van het nationaal-socialisme.

Zonder meteen te concluderen dat de geschiedenis zich herhaalt – mensen herhalen zichzelf, schreef Voltaire, niet de geschiedenis – word je getroffen door parallellen.

Stern beschrijft hoe drie Duitse cultuurcritici een conservatieve revolutie in gang hebben gezet die tientallen jaren duurde en de geesten langzaam rijp maakte voor het nationaal-socialisme. Hun namen doen er voor de lezer van vandaag minder toe dan hun ideeën en de onderstroom die ze droeg. Die revolutie was „een ideologische aanval op de moderne tijd, op het geheel aan ideeën en instellingen dat kenmerkend is voor onze liberale, seculiere en industriële beschaving”, schrijft Stern.

Hun voornaamste doelwit was het liberalisme. Vrijheid, rationaliteit, tolerantie – het leidde in hun ogen tot de grote, onwenselijke veranderingen in het leven en in de gevoelswereld van de westerse mens. Zelf wierpen de conservatieve revolutionairen zich op als kampioenen van het nationalisme. Journalisten waren „leugenaars”, politici van andere partijen „verraders” die nationale tweespalt zaaiden. Dit gebeurde niet alleen in Duitsland, maar op het hele continent. Net als nu.

Stern waarschuwt dat deze anti-liberale rebellie met zijn irrationele, emotionele retoriek „altijd sluimert in de westerse maatschappij”. Dit is exact wat er nu weer speelt, in Europa en de VS. Extreemrechts wil de naoorlogse, liberale orde niet hervormen, maar vernietigen. Het is misschien niet dezelfde conservatieve revolutie als toen, maar een krachtige variant ervan. Wint zij ditmaal weer? En zo ja, wat voor orde krijgen we er dan voor in de plaats? Vlak voor zijn dood zei Stern tegen Tagesspiegel dat hij er niet gerust op was:

„Het bezwaart me dat ik ben opgegroeid met het eind van de democratie, en dat ik aan het eind van mijn leven de strijd om de democratie opnieuw moet meemaken. Treurige balans, eigenlijk.”

Reden genoeg om het woord ‘extreemrechts’ niet door een eufemisme te vervangen.

Caroline de Gruyter is correspondent in Wenen en schrijft wekelijks een column over politiek en Europa.