Beving

Aarde beeft zwaarder bij nieuwe en volle maan

Zware aardbevingen, zoals de catastrofale bevingen voor de kusten van Sumatra (2004), Chili (2010) en Japan (2011), treden relatief vaak op rond volle en nieuwe maan. Tot die conclusie komen Japanse seismologen op basis van een statistische analyse van meer dan 10.000 middelzware en zware aardbevingen, met een magnitude van 5,5 en hoger. Ze schrijven het deze week in Nature Geoscience.

Elke dag vinden er, verspreid over de aarde, talrijke aardbevingen plaats. De meeste daarvan zijn klein. Een relatie tussen het aardbevingsmoment en de aardse getijden is plausibel omdat het gesteente van de aardkorst, net als het water van de oceanen, op en neer golft met de getijden. Het is voorstelbaar dat dat net het beetje extra spanning in de aardkorst veroorzaakt dat nodig is om een aardbeving in gang te zetten of te verergeren.

Toch hebben de vele pogingen om een verband tussen de verschijnselen te vinden tot nu toe niet veel opgeleverd. De gevonden correlaties zijn doorgaans zwak. Bij de nieuwe analyse is dat op het eerste gezicht niet anders. Als alle onderzochte aardbevingen op één hoop worden gegooid, lijkt er geen duidelijk verband te bestaan tussen het optreden van bevingen en de grootte van de getijdenspanning. Dat verandert als de bevingen worden uitgesplitst naar magnitude. Dan blijken de zwaarste ‘bij voorkeur’ op te treden wanneer zon, maan en aarde op één lijn staan – wat eens in de ongeveer twee weken gebeurt. Anders geformuleerd: wanneer de getijdenkracht die op de aarde werkt op zijn grootst is, heeft een aardbeving een grotere kans om uit te groeien tot magnitude 8 of hoger dan op andere dagen.

Overigens: de drie zwaarste bevingen van 2016 – voor de kust van Sumatra, in Ecuador en in de Stille Oceaan – vonden niet bij springtij plaats. De voorspellende waarde van het gevonden verband is dus beperkt.