Willibrord

CULRoosmalen 1

Eerst was ik naar de boekpresentatie van De wereld volgens Gijp van Michel van Egmond geweest. In The Harbour Club in Rotterdam was het te heet, dus ik zat op het terras op een zitzak naast Wim Kieft, die de ene Camel na de andere aanstak. Zelf was ik ook een goede roker, maar in de blonde ex-voetballer vond ik mijn meerdere. Binnen interviewde Wilfred Genee de beste vrienden van René, buiten hoorden we maar een persoon: Willibrord Frequin.

Ik verkeerde in de veronderstelling dat het niet zo goed met hem ging. Het laatste wat ik over hem las betrof een mislukte hartoperatie, maar Willibrord was nog helemaal Willibrord. Zo had Willibrord bijvoorbeeld de vierdaagse van Nijmegen gelopen op instappers zonder sokken.

„Denk jij dat Willibrord hiervan geniet?”, vroeg Kieft.

Ik had veel aan te merken op mijn leven, maar een goede vriend als Willibrord was me dan toch bespaard gebleven. Ik probeerde me de vriendschap tussen René van der Gijp en Willibrord Frequin voor te stellen, want die werd met ieder woord van Willibrord hechter.

Een half uur later stond ik naast hem bij de pisbakken.

„Zo”, zei hij, „ook even de hond uitlaten. Ja?”

„Ja”, zei ik.

Na het handenwassen stak hij het boek dat hij even daarvoor van zijn beste vriend had gekregen van achteren in de bandplooibroek waar het ergens halverwege bleef zitten.

„Die waait niet meer weg!”, zei hij.

Nee, dacht ik, maar hij ruikt straks wel.

Later maakte de gewezen presentator nog een soort van ererondje over het terras, de neus roodverbrand, dat boek zwetend boven de bilnaad. Af en toe waaiden er flarden van wat hij zei onze kant op. Waarheden als koeien zo groot, niemand die zo mooi het woord schandalig kan zeggen als hij.

Daarna ging ik naar mijn moeder in Velp. Ze was bij de vaatchirurg geweest, er zaten weer wat aderen verstopt. De plantjes achter in de tuin waren geel, uitgedroogd dacht ze. De tuinslang was te kort en de gieter had ze weggedaan omdat ze die toch niet kon tillen.

Je kon er als goedwillende zoon wel bij staan knikken, maar feitelijk had ze meer gehad aan een goede vriend als Willibrord. Die had haar allang de mond gesnoerd – „Je moet gewoon doorgaan, gewoon doordouwen. Begrepen?” – en had daarna doorgepakt door boven die verdorde troep ‘even de hond uit te laten’.

Maar goed, ik was Willibrord niet. Hoefde ze ook niet luisteren naar hoe hij de Vierdaagse van Nijmegen had uitgelopen.

Op instappers, zonder sokken.

Marcel van Roosmalen heeft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.