Wachten op de adder onder de woorden

Marc Reugebrink

Deze Nederbelgische schrijver viel altijd in positieve zin op om zijn onconventionele romans. Met zijn nieuwste, Het huis van de zalmen, is Reugebrink een andere weg ingeslagen. Een keuze die vragen oproept.

‘Zalmen’ van Theo Goedvriend Gemeente Museum Den Haag

In een van zijn korte stukjes merkte A.L. Snijders iets op over de voorkeur van Karel van het Reve om opsommingen in zijn werk op te nemen. Ik kon het betreffende stukje zo een-twee-drie niet terug vinden, maar het kwam er op neer dat als Van het Reve bijvoorbeeld opmerkt dat er in de Sovjet-Unie zoveel wodka-merken zijn, je er gif op kan innemen dat hij daarna al die merken op gaat sommen. Zoiets gaat tegen alle schrijfwetten in: je haalt de snelheid uit een tekst en je bewijst geen enkele lezer een dienst met zo’n sovjet-lijst. En toch werkt het bij Van het Reve. Werkt iets. Misschien omdat het nogal droogkomisch is als zo’n erudiete man opeens zo on-erudiet uit de hoek komt.

Ik moest er aan denken bij de laatste roman van Marc Reugebrink (1960), de Nederbelgische schrijver die in 2008 nog de Gouden Uil won voor Het grote uitstel. Want ook Reugebrink houdt van de opsomming, al durf ik niet met zekerheid te zeggen of hij dat altijd al gedaan heeft of dat het een recente ontwikkeling is. Bij Reugebrink dient de opsomming verschillende doelen. In het eerste deel van zijn nieuwe roman Het huis van de zalmen – we leren er een uitbater van een restaurant in kennen – zet hij het in om de decadentie en wanhopige originaliteit van het moderne gastronomische leven te illustreren. Een beetje zoals Herman Koch deed in Het diner, waarin ook de vreemdste spijzen over elkaar heen buitelden. Marcel, de uitbater in kwestie, moet zijn tong in de raarste bochten vouwen om de menukaart er uit te krijgen – een kaart waar op zeker moment zelfs (de giftige) bereklauw en (de walgelijke) muskusrat op terug te vinden zijn.

Voorbije leven

Als Marcels moeder Carolina overlijdt – dit is zo ongeveer het centrale dramatische gegeven van de roman – ziet eerstgenoemde zich genoodzaakt om haar voorbije leven met het doorspitten van fotoboeken en documenten opnieuw op te roepen. Met die greep worden we een halve eeuw terug in de tijd geworpen, waarna Reugebrink op een nieuwe manier gebruik maakt van de opsomming.

Om de loden traagte van Carolina’s jaren vijftig-leven invoelbaar te maken, laat hij geen kans onbenut om alles te melden wat er over een bepaald onderwerp te melden is. Gaat het over de straat waar Carolina en haar man Marius woonden, dan volgt er een pagina die gevuld is met de namen van alle buurtbewoners, zonder dat die buurtbewoners daarna ook maar enige rol van betekenis in de roman spelen. En als Marius voor de klas komt te staan volgt er een bescheiden lijst met de namen van collega’s en kinderen uit de klas; collega’s en kinderen die daarna ook onmiddellijk weer vergeten kunnen worden.

De alinea’s hierboven komen uit de vingers van een welwillende lezer. Een lezer die zich er bewust van is dat Reugebrinks eerdere romans geprezen werden om hun onconventionele vorm of structuur. Wild vlees (1998) was niet opgebouwd volgens de lijnen van een plot, maar bestond uit variaties op een thema, zonder duidelijk tijdsverloop, terwijl je bij Het grote uitstel een cd cadeau kreeg met op de roman toegesneden muziek. Is er in Het huis van de zalmen ook iets vergelijkbaar onconventioneels aan de hand?

Nee. Ik moest denken aan Arnon Grunbergs essay over Stefan Hertmans’ Oorlog en terpentijn: was dit, na jaren van eigenwijze, individuele essays, romans en beginselverklaringen nu gewoon een roman waarin een schrijver ‘volkskunst’ bedreef? Waarin de lezer kortom getrakteerd werd op een conventionele roman die in niets voldeed aan de eerder uitgezette lijn?

In het geval van Het huis van de zalmen wachtte ik 267 bladzijden op een grote adder die onder de woorden uit zou springen, wachtte ik op het moment dat het langzaam opgeblazen luchtbed over een zoon die zich schuldig voelt lek werd geprikt – maar het gebeurde niet.

Las ik ware woorden? Ja. Over de staat van het onderwijs bijvoorbeeld, of waarom mensen zo graag ‘deelhebben aan iets wat hen overstijgt’. Maar op een prikkelende roman die waarden of woorden op losse schroeven zet stuitte ik niet.