Voor- en tegenstanders grijpen naar hetzelfde grondrecht

Debat over orgaandonatie

Als de Eerste Kamer de wet op orgaandonatie bespreekt, zal artikel 11 uit de Grondwet er centraal staan. Niet voor het eerst.

Een promotieteam van de JaofNee-campagne in 2015 roept jongeren op donor te worden. Foto ANP / Arie Kievit

Waarom blijft het debat over orgaandonatie toch zo fascineren? Het wetsvoorstel van Pia Dijkstra (D66) hierover gaat natuurlijk over leven en dood en kan in principe iedereen aangaan. De emoties tijdens de discusssies erover lopen dan ook gemakkelijk hoog op. Maar er is nog een reden. Het actief donorregistratiesysteem (ADR) maakt mogelijk inbreuk op een grondrecht: het recht op de onaantastbaarheid van het lichaam. Om deze reden is het debat ook in juridisch opzicht interessant.

Pijnbank

Wanneer de Eerste Kamer de wet behandelt, zal het vaak gaan over Grondwetsartikel 11, waarin de onaantastbaarheid van het lichaam is vastgelegd. Volgens sommige juristen gaat de voorgeschiedenis van artikel 11 terug tot het Grondwetsartikel 36 uit 1798, waarin de afschaffing van de pijnbank werd geregeld. Maar het artikel zoals we het nu kennen, bestaat pas sinds 1983, toen de hele Grondwet werd herzien.

Volgens artikel 11 mag het recht op onaantastbaarheid van het lichaam alleen worden ingeperkt als dat wettelijk wordt geregeld. Wanneer de Eerste Kamer Dijkstra’s wetsvoorstel aanneemt, is dat het geval. Het actief donorregistratiesysteem (ADR) waarin de nieuwe wet voorziet, is daarom niet per definitie in strijd met de Grondwet, schreef de Raad van State in een advies over de wet.

Toen begin jaren negentig de huidige Wet op de Orgaandonatie (WOD) werd ontwikkeld, gaf de regering al aan dat een ‘geen bezwaar’-systeem (zoals het ADR) in de toekomst een optie zou zijn. Addertje onder het gras: er moest dan wel voldaan worden aan de criteria van subsidiariteit (is het middel beter dan de alternatieven voor het verhogen van het aantal donoren?) en proportionaliteit (is het middel effectief genoeg om dit te bereiken?).

Voor het CDA, dat lang onmisbaar leek voor een Kamermeerderheid, was dit dinsdag de reden om tegen te stemmen. Kamerlid Hanke Bruins Slot was er na lang wikken en wegen niet van overtuigd dat aan de bovengenoemde criteria was voldaan.

Het is niet de eerste keer dat artikel 11 zo’n belangrijke rol speelt in een politieke discussie, vertelt hoogleraar staats- en bestuursrecht Wim Voermans. Zo vond in 2002 toenmalig minister Donner het artikel op zijn weg. Hij wilde gedetineerden kunnen dwingen DNA af te staan, maar dit was in strijd met de onaantastbaarheid van het lichaam: het werd pas mogelijk toen hij er een speciale wet voor ontwierp, zoals Grondwetsartikel 11 vereist.

Het artikel wordt ook wel eens op een ‘gespiegelde’ manier aangewend, zegt Voermans. Het recht op onaantastbaarheid van het lichaam gaat namelijk ook over zelfbeschikking. Op die manier verschuift de aandacht van ‘wat jou niet mag worden aangedaan’ naar ‘wat jij mag doen’. „De laatste twintig jaar gaat het vaker over zelfbeschikking. Mag je bijvoorbeeld je bloed laten onderzoeken op erfelijke ziektes? Mag je je organen verkopen? Mag je enorme cosmetische operaties ondergaan?’

Euthanasie

Als voorbeeld noemt Voermans de Britse Diane Pretty, die in 2002 claimde dat zij recht had op euthanasie op basis van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), dat ook de onaantastbaarheid van het lichaam beschermt. Dit artikel bepaalde volgens Pretty dat zij zelf over haar lichaam mocht beschikken. Het Hof in Straatsburg gaf haar echter ongelijk. Interessant is dat in Nederland het recht op onaantastbaarheid van het lichaam lange tijd juist werd gebruikt om euthanasie te verbieden.

In de recente Kamerdebatten over het ADR zag je ook dat artikel 11 op verschillende manieren werd gebruikt. De tegenstanders van het ‘ja, tenzij’-systeem wezen op de schending van de lichamelijke integriteit, de voorstanders vonden dat het nieuwe systeem juist de individuele zelfbeschikking bevordert. Het spoort mensen immers aan een keuze te maken over wat er met hun lichaam gebeurt – iets wat de nabestaanden nu nog vaak beslissen.

Overigens gelden in Nederland ook nog steeds artikel 8 van het EVRM (het recht op bescherming van het privéleven), én artikel 3 van het Handvest van de grondrechten van de EU (het recht op lichamelijke en geestelijke integriteit), die vergelijkbaar zijn met artikel 11. In de andere EU-landen met een ‘geen bezwaar’-systeem, zoals België, hebben deze artikelen niet zwaar genoeg gewogen om het systeem af te wijzen.