Trumpachtig Amerika in 1968

Amerikaanse verkiezingen

Een nucleair Armageddon was het schrikbeeld waarop de Amerikaanse kiezer in 1968 werd getrakteerd, met voorverkiezingen vol ijzervreters, oorlogshitsers en racisten. Ondertussen sleep Reagan alvast zíjn messen.

Detroit 1968: ‘If it's going to be a long; hot summer; I'm going to make it hotter for them’. Drie huisvrouwen nemen schietles. Foto Graham Bezant/ Toronto Public Library/Getty Images

Het angstzweet breekt ons uit bij de gedachte aan de impulsieve vingers van Donald Trump bij de atoomknop. Het schrikbeeld van de paddenstoelwolk speelt deze campagne weer op, met dank aan de chronisch instabiele Republikeinse presidentskandidaat en zijn Democratische uitdager Hillary Clinton, die er politieke munt uit probeert te slaan.

Zonder precedent is het niet. Tijdens de campagne van 1964 werd de Republikeinse kandidaat Barry Goldwater weggezet als oorlogshitser in een reclamespotje waarin werd gehint op een nucleair Armageddon. Vier jaar later speelde het onderwerp ook een rol, toont het meeslepende boek American Maelstrom van de Amerikaanse journalist Michael Cohen over de ruige presidentscampagne van 1968. Destijds bracht generaal Curtis LeMay het ter sprake. De running mate van de onafhankelijke kandidaat en onverbloemde racist George Wallace zinspeelde openlijk op het inzetten van nucleaire wapens.

LeMay was een ijzervreter met onorthodoxe standpunten. Als voormalig gevechtspiloot wilde hij Vietnam naar ‘het stenen tijdperk’ bombarderen. Hij was ook voor abortus, vijf jaar voor de legalisering in Amerika. Atoomwapens hadden zijn speciale aandacht. Na bestudering van films over kernexplosies op het eiland Bikini concludeerde hij dat de ‘positieve gevolgen’ onderbelicht waren gebleven. In een verkiezingsspeech zei hij: ‘De vissen zwemmen er weer in de meertjes, aan kokosbomen groeien kokosnoten, de guave draagt fruit, de vogels zijn terug.’ Zelfs de ratten op Bikini waren volgens LeMay ‘groter, dikker en gezonder’ dan vóór de tests.

Cohen dook het citaat op uit een oud artikel in The New York Times. Over de campagne van 1968 is al veel geschreven, maar hij kijkt er met een frisse blik naar. Hij concentreert zich niet alleen op de uiteindelijke winnaar Richard Nixon en diens tegenstander Hubert Humphrey, maar op de campagnes en het ideeëngoed van alle kandidaten. Dus ook die van de Republikeinen Ronald Reagan, Nelson Rockefeller en George Romney en de Democraten Eugene McCarthy en Robert Kennedy.

Martin Luther King

De campagne van 1968 had plaats tegen de achtergrond van (demonstraties tegen) de oorlog in Vietnam en de rassenrellen in de binnensteden. Zonder weerga waren twee de samenleving ontwrichtende moorden – op burgerrechtenactivist Martin Luther King en Robert Kennedy. De dood van King leidde tot rellen, brandstichtingen en plunderingen in diverse steden. Deze rellen plus de explosief stijgende geweldsmisdrijven veroorzaakten een voorspelbare reactie (‘backlash’) onder blanken. Hun trek naar de buitenwijken en het platteland was weliswaar al eerder begonnen, maar nam nu de vorm aan van een kleine volksverhuizing.

De dood van Robert Kennedy had een verlammend effect op jonge, idealistische Democraten. Cohen is overtuigend: hij had de nominatie naar alle waarschijnlijkheid niet gewonnen, vanwege verzet onder de destijds nog machtige partijbaronnen en de vakbeweging. Kennedy sprak bovendien met gespleten tong over de problemen in de getto’s. Afrikaans-Amerikanen stelde hij een oplossing voor hun misère in het vooruitzicht. Blanken in de buitenwijken stelde hij gerust; ze hoefden niet te vrezen dat hun (gesegregeerde) levenswijze gevaar liep.

De onrust in de binnensteden was koren op de molen van de racist en populist George Wallace. Cohen besteedt terecht veel aandacht aan deze malicieuze maar kleurrijke politicus uit het diepe zuiden van Amerika, een Democraat die in 1968 als onafhankelijke kandidaat aan de verkiezingen deelnam. Wallace deed het in 1968 niet alleen tot een maand voor de verkiezingen goed in de peilingen. Zijn invloed op het politieke discours ná 1968 was navenant groot.

Nixon nam een deel van zijn boodschap over: wereldvreemde bureaucraten in Washington en de intelligentsia aan universiteiten (‘punthoofden’, volgens Wallace) waren verantwoordelijk voor de rellen en de anarchie op straat. De gezagsgetrouwe burger had niets te zoeken bij deze weekdieren die zich hadden genesteld in de boezem van de Democratische partij, naast de al even perfide hippies en beroepsdemonstranten. Misschien wel het meest memorabele citaat in de hele campagne kwam op naam van de running mate van Nixon, Spiro Agnew: ‘Als je een sloppenwijk in de stad hebt gezien, heb je ze allemaal gezien.’ Een oneliner waarmee hij zich schatplichtig toonde aan Wallace. En waarmee hij de uiterst gedetailleerde plannen voor het omploegen van de getto’s van kandidaten als Humphrey en Rockefeller teniet deed.

Op de conclusie van Cohen valt weinig af te dingen. Nadat de kruitdampen waren opgetrokken bleek dat de Democraten zichzelf hadden vervreemd van hun kernelectoraat, de blanke middenklasse, met rampzalige electorale gevolgen. Aan Republikeinse kant was het slagveld niet minder bloedig, maar vanwege de machtsovername wel minder schrijnend. De gematigde vleugel behoorde tot het verleden, de toekomst was aan het rechts-populisme: ‘De verkiezingsstrijd van 1968 is de eerste moderne campagne waarin het conservatieve contraverhaal de politiek van het land grondig omploegde.’ Washington, aldus Cohen, werd voortaan vooral gezien als ‘ontwrichtend in plaats van als positieve kracht.’

Fijnproever

Dat conservatieve tegenverhaal ligt ook ten grondslag aan Exit Right van de Amerikaanse schrijver, cineast en communicatiedeskundige Daniel Oppenheimer. American Maelstrom is vlot geschreven en bestemd voor een groot publiek, Exit Right is een hoogst origineel boek, voor de fijnproever. Zes politieke essays, over vijf Amerikanen en een Brit – vijf schrijvers en een politicus – die (extreem)links begonnen en conservatief eindigden. Oppenheimer concentreert zich op het moment van ‘overlopen’; de ruk naar rechts in hun leven. Exit Right is ook een zeer Amerikaanse combinatie van intellectuele geschiedenis en roddel op hoog niveau, geschreven in een taal die laveert tussen academisch en aards.

Dwars en provocerend is de beschouwing over de enige niet-intellectueel in het gezelschap, Ronald Reagan. Oppenheimer daagt de lezer uit: was Reagan net zo’n groot en provocerend denker als oud-communist Whittaker Chambers, ex-trotskist James Burnham, voormalig New York intellectueel Norman Podhoretz, voormalig sympathisant van de Black Panthers David Horowitz of de Britse horzel en loner Christopher Hitchens?

Niet dus. Toch misstaat hij niet in hun gezelschap. Reagan werd beïnvloed door Chambers. Diens autobiografie Witness was zijn lijfboek; de inhoud ervan nam hij deels over in zijn eigen redevoeringen. Hij begon na de Tweede Wereldoorlog als Democraat en antifascist en eindigde als Republikein, communistenhater en criticus van de verzorgingsstaat. ‘Voor Reagan was dit een crisis waar de beschaving van afhing. […] Half-mannen en half-vrouwen, geheel verzorgd en schadeloos gesteld door de social engineers van de staat, de vakbond en de onderneming, lusteloos geldverdienend, voedsel nuttigend en zich voortplantend, langzaam vergetend wat het betekent om een volwaardig mens te zijn’, aldus Cohen.

De politieke toekomst na 1968 was volgens Cohen niet aan de nieuwe president, Nixon, maar aan Reagan. De campagne van 1968 kwam hem niet slecht van pas, als retorische oefening om zijn rechts-populistische gedachtegoed mee te slijpen.