Student van 19 woont gewoon thuis

Op kamers

Jongeren studeren nog volop, ondanks de afschaffing van de studiebeurs. Maar zelfstandig wonen is velen, vooral de hbo’ers, te duur.

Foto Phil Nijhuis/Hollandse Hoogte

Door de afschaffing van de studiebeurs in 2015 zijn veel meer startende studenten thuis blijven wonen. Van de studenten tot 19 jaar woont nog maar 13 procent zelfstandig op kamers. Een jaar eerder was dat nog 28 procent. Dat heeft het Kenniscentrum studentenhuisvesting (Kences) donderdag bekend in een voorpublicatie van de Monitor Studentenhuisvesting. De cijfers zijn gebaseerd op gegevens van studentenhuisvesters en een enquête onder studenten.

Van de studenten die aan een nieuwe bachelor of master zijn begonnen is het aandeel kamerbewoners gezakt van 37 procent naar 30 procent. Van de studenten van minstens 20 jaar oud die aan een master zijn begonnen, is hetzelfde percentage zelfstandig blijven wonen.

„De conclusie is daarom dat de invoering van het studievoorschot van grote invloed is op het huisvestingsgedrag van studenten die starten met hun eerste hoger onderwijsopleiding. Dit effect zal de komende jaren naar verwachting doorwerken bij de hogerejaars studenten”, aldus Kences. De neiging om thuis te blijven wonen is sterker bij studenten van niet-westerse afkomst dan bij autochtone studenten. De gemiddelde huren in de particuliere en door de overheid gefinancierde studentenwoningen zijn in die tijd niet sterk gestegen, aldus Ardin Mourik van Kences.

In de totale verhouding tussen uit- en thuiswonende studenten zijn de gevolgen van het afschaffen van de studiebeurs minder merkbaar. Het aandeel uitwonende studenten is gedaald van 53 naar 52 procent. Er blijft mede door de groei van het aantal buitenlandse studenten nog steeds veel vraag naar studentenwoningen.

Vooral hbo’s blijven thuis

Het effect is het grootst op hbo-studenten, want die hebben al meer de neiging om thuis te wonen dan universitaire studenten. Van de universitaire studenten woont ongeveer driekwart zelfstandig op kamers, bij de hbo-studenten is dat 45 procent. Hbo-studenten zijn gemiddeld ook jonger dan universitaire studenten, aldus Mourik. Ze komen vaak van de vijfjarige havo. De hogescholen zijn met veel fillialen en vestigingen fijner verdeeld over het land, zodat het gemakkelijker is er een in de buurt van het ouderlijk huis te vinden. En ze zijn minder vaak lid van studentenverenigingen.

Het totale aantal eerstejaars aan het hoger onderwijs is vorig jaar ook teruggelopen. Bij hogescholen was dat 8,3 procent. Universiteiten hebben het verlies aan eerstejaars tot 0,9 procent kunnen beperken, mede dankzij de instroom van buitenlandse studenten.

Degenen die voor een hbo-opleiding in aanmerking zouden komen, zijn over het algemeen gevoeliger voor de kosten. Vorig jaar werd bekend dat 1 op de 40 havo-gediplomeerden en 1 op de 20 mbo’ers afzag van het volgen van hoger onderwijs wegens de afschaffing van de studiebeurs.

Jan Sinnige, voorzitter van het Interstedelijk Studentenoverleg, betreurt de stijging van het aantal thuiswonende eerstejaars: „De keuzevrijheid van de student is in het geding. Het kan niet zijn dat een student door financiële redenen afziet van zijn voorkeursstudie. Als je uit Middelburg komt en je vindt dé studie die bij jou past in Groningen, moeten kilometers niet de reden zijn dat een student van zijn voorkeur afziet”, vindt hij.