Schilder van buitelende putti

In 1665 was de jonge schilder Gerard de Lairesse een sensatie, net zo beroemd als Rembrandt. Rijksmuseum Twenthe wijdt nu een overzicht aan de gevallen historieschilder uit de Gouden Eeuw.

Gerard de Lairesse: ‘Venus schenkt wapens aan Aeneas’.

Vlug, neem de nachtschuit naar Utrecht, opdat ‘die Haas hem niet ontglippen zoude’. Zo sporen zijn vrienden de Amsterdamse kunsthandelaar Uylenburgh aan, als in 1665 een tussenpersoon hem twee beeldschone schilderijtjes aanbiedt, van een onbekend talent. Gerrit Uylenburgh, wiens vader een generatie eerder nog Rembrandt naar Amsterdam had gehaald, vertrekt gauw om deze onbekende Luikse schilder te ontmoeten. En te contracteren. Het lukt. De jongeman, in Utrecht na een ingewikkeld vluchtverhaal (verbroken huwelijksbelofte, steekpartij, ondergedoken in klooster, nieuwe liefde) zegt toe en verhuist naar Amsterdam.

Daar demonstreert hij voor Uylenburgh en zijn vrienden hoe hij zomaar even een prachtig tafereeltje van de Heilige Familie tekent, zo hop uit de losse pols. Wat een virtuositeit. Het gaat als een lopend vuurtje. Al weken na zijn aankomst in Amsterdam is de Luikse meester een succes. Hij zal worden aangekocht door prinsen en adel, geroemd tot ver na zijn dood. Deze ‘subliem poëet’, dit ‘onbetwist het grootste genie ooit in de schilderkunst’ heeft nu in het Rijksmuseum Twenthe een overzichtstentoonstelling met de titel… (tromgeroffel)… Eindelijk! De Lairesse.

Wat, denkt u nu, wie? Hebben we het niet over Rembrandt, Vermeer, Steen? Nee, Gerard de Lairesse (1641-1711) gold eind 17de eeuw als de grote meester van de Gouden Eeuw. Daarna was zijn val net zo onwaarschijnlijk diep als zijn opkomst hoog – daarom kent u hem niet. Maar in 1665 was hij een sensatie. Toen nog wel.

De jonge De Lairesse, in het zuiden geschoold in een klassieke Italiaanse leer, arriveerde in Amsterdam vol ambitie. Hij propageerde een classicistische schoonheid die daar ongebruikelijk was. Hoe ongebruikelijk, zie je in Twenthe al in zijn vroege doeken. In zijn Verkondiging aan Maria (1668-70) stormt aartsengel Gabriël binnen met vleugels, gewaden, gewapper, gouden licht, putti, Heilige Geest, alles. Waarop Maria rechts, compleet onbewogen, het nieuws ontvangt van haar zwangerschap. Vooral die Maria, zo vol rafaëlitische gratie, toont het classicisme dat deze ‘Hollandse Poussin’ zou perfectioneren. Ook kan de concurrentiegedachte een rol hebben gespeeld. Rembrandt gold nog als de grootste, ga je dan in iemands voetsporen en dus schaduw treden, of gooi je het over een andere boeg? Precies.

Amsterdam als Rome

1509culLairesseee

Zo’n echte Italianiserende historieschilder zagen ze wel zitten in Amsterdam, waar de intellectuele elite vond dat de kunsten een opvoedkundige taak hadden om de samenleving te verbeteren. Gratie en decorum. Dat er wel erg veel blote billen op zijn schilderkunst stonden, was niet zo’n punt. Bovendien konden de nieuwe dure grachtenpanden in Franse stijl wel wat statige kunst gebruiken. Daarvandaan komen De Lairesses grisailles uit 1682, schilderijen die leken op hellenistische marmeren beeldengroepen. Ze hadden thema’s als rijkdom, kunst, de glorie van Rome – zo Amsterdam met Rome vergelijkend. Die Oudheid bleek sowieso flexibel inzetbaar: de stadsmaagd Amsterdam tronend als een Romeinse godin, bijgestaan door handelsgod Mercurius: geen probleem. Zo steeg De Lairesse tot grote hoogtes, tussen de buitelende putti en godenbanketten, op wolken van plafondschilderingen.

En toch vergeten, hoe bestaat dat? Nou, om te beginnen voel je wat ongemak in de tentoonstelling. Zo mooi, zo af, straalt zijn oeuvre een gevoel van gelijkmatigheid uit. Dat komt opnieuw door die grote ambities: dramatische verhalen mét decorum, moeilijk. Het levert prachtig ingenieuze composities op, maar soms wat stijf. Dan kijkt een Venus glazig, of zit een windstille voorstelling vol onwaarschijnlijk wapperende gewaden. Hou de harmonie vast en zoek expressie in de details, zei De Lairesse, in mondhoeken, vingers, tenen. Op zich kan dat. Maniëristen een generatie eerder tordeerden elk lichaamsdeel, met driftig gespreide tenen tot gevolg. Maar De Lairesse was geen maniërist. In zijn tentoonstelling liggen al zijn tenen en handen er bevallig bij, gracieus als de geïdealiseerde gelaatstrekken.

Achterkamers

Deze complexe aanpak had moeten culmineren in zijn opdracht voor het nieuwe Stadhuis op de Dam. Maar het zou blijven bij de schets die in de tentoonstelling hangt, want tijdens de opdracht wordt hij plotseling blind. ‘Zie je wel, vast syfilis, losbandigheid, die naaktmodellen ook’, werd waarschijnlijk tot laat in de avond geroddeld in tal van Amsterdamse achterkamers. Zijn geschilderde bacchanalen hadden er ook al zo verdacht realistisch uitgezien.

1509culLeprozenhuis2

Blindheid is een ramp voor een schilder, maar De Lairesse maakt er het beste van door zijn leer op papier te zetten. Die regels waren een groot succes, tot in de 19de eeuw. Maar toen kantelde dat, en drastisch. Al die regels kwamen kunstenaars behoorlijk de neus uit. En vooral was er een politieke ontwikkeling. Met de opkomst van de natiestaten ging Nederland op zoek naar een nationale identiteit waarbij Rembrandt en Vermeer werden ingelijfd, als realistische – soort van – inkijk in de burgerlijke maatschappij van de Gouden Eeuw. Na nog wat vernietigende uitlatingen van Rijksmuseumdirecteur Schmidt-Degener over het ‘internationale decorateursstijltje’ van De Lairesse kon deze definitief bij het grofvuil, nog voor hij ooit een museumtentoonstelling had gekregen – tot nu.

Die 19de-eeuwse ideeën zijn mythevorming, maar die van Twenthe ook: het presenteert een geromantiseerd verhaal. Dat gaat over een titanenstrijd tussen Rembrandt en De Lairesse, gevoed door een persoonlijke tragiek van een schoonheidszoeker, bejubeld, blind, verguisd, die bovendien mismaakt geboren was (naast een geïdealiseerd zelfportret hangt zijn beeltenis door Rembrandt, die nooit iets verbloemde).

Maar, door De Lairesses vergeten invloed te benadrukken, maakt het museum een belangrijk punt: het toont hoe verkokerd onze blik op de Gouden Eeuw is geraakt. Kunst was internationaal en vol grenzeloze inspiratie – een Luikse italianiserende classicist was óók Hollandse Gouden Eeuw. Alleen daarom al moeten we de nationale luiken van de kunstgeschiedenis openzetten, en wat zal dan een heerlijk gouden Italiaans licht binnenvallen.