Niet iedereen krijgt een cadeautje op Prinsjesdag

Zeven vragen over koopkracht

Alle huishoudens krijgen een plusje van het kabinet. Dat is te mooi om waar te zijn. De koopkracht wordt nooit eerlijk verdeeld.

Winkelend publiek in het Designer Outlet Roermond. Foto ANP / Koen van Weel

Iederéén gaat erop vooruit op Prinsjesdag. Dat was het goede nieuws over de rijksbegroting dat eerder deze maand uitlekte – al dan niet door het kabinet zelf. Regeringspartijen VVD en PvdA trekken 1,1 miljard euro uit om de koopkracht te verbeteren. Alle huishoudens krijgen er een plusje bij – in ieder geval 90 procent, meldde RTL Nieuws.

Het is een fijne boodschap voor de verkiezingen volgend jaar maart, maar als ‘de koopkracht’ stijgt, gaat natuurlijk nooit heel Nederland erop vooruit. Niet iedereen profiteert van de verwachte verhoging van de zorgtoeslag, ouderenkorting, huurtoeslag en het kindgebonden budget. Niet iedereen profiteert ook evenveel.

1. Wat ís koopkracht eigenlijk?

Een eufemisme uit de koker waskracht en krachtwijken. Je koopkracht is wat je helemaal onderaan de streep overhoudt om van te leven – of te overleven. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) definieert koopkracht als het besteedbaar inkomen per huishouden, gecorrigeerd voor de ontwikkeling van de consumentenprijzen. De basis van het besteedbaar inkomen vormt het bruto-inkomen min belastingen op inkomen en bezit, een zwik verzekeringspremies en bijvoorbeeld alimentatie.

2. Hoe heeft de gemiddelde koopkracht zich ontwikkeld?

Tussen 1985 en 2009 scheen altijd de zon. De koopkracht groeide vrijwel onafgebroken met gemiddeld 1,8 procent per jaar, volgens het CBS-rapport Welvaart in Nederland 2016. Toen kwam de depressie. Tijdens de crisis daalde de koopkracht bij ruim de helft van de bevolking, met name bij mensen met een uitkering. Sinds 2014 stijgt de koopkracht weer. Vorig jaar gingen we er 1,1 procent op vooruit, volgens CBS-cijfers van vrijdag.

3. Van hoeveel Nederlanders is de koopkracht gestegen/gedaald?

Dat verschilt per jaar, afhankelijk van de economische situatie en politieke keuzes. Sinds 2014 zitten we gemiddeld weer in de lift, al ging ruim 40 procent van de bevolking er dat jaar op achteruit en 20 procent zelfs meer dan 2.500 euro. Vorig jaar kromp de koopkracht bij 35 procent van de bevolking, dit jaar bij bijna 20 procent, blijkt uit de Miljoenennota 2016.

4. Van welke groepen is de koopkracht het meest gestegen?

Gemiddeld zijn we er de laatste decennia allemaal op vooruit gegaan door de stijging van de arbeidsproductiviteit en het aantal werkende vrouwen. Het besteedbare inkomen in 2014 was 34.200 euro: dat is 20 procent meer dan in 1977. Wie Den Haag cadeautjes geeft, verschilt van kabinet tot kabinet. De koopkracht van werknemers is sinds de eeuwwisseling het meest gestegen, vorig jaar met 2,5 procent. Tegelijkertijd zijn er grote verschillen binnen groepen werkenden. Zelfstandigen gingen er vorig jaar gemiddeld slechts een beetje (0,6 procent) op vooruit. Maar bij een kwart van de zelfstandigen steeg de koopkracht 14 procent én bij een kwart daalde deze 11 procent.

5. Wie gaat er het meest op vooruit: jong of oud?

Elk jaar neemt de koopkracht van de jongste werkenden sterk toe en stijgt of daalt die van ouderen niet veel. Logisch: jongeren beginnen hun carrière met nul inkomen, terwijl het inkomen bij pensionering vaak iets daalt en dan vrij constant blijft. In 2014 steeg de koopkracht van jongeren tot 25 jaar met 13 procent, terwijl 70-plussers er nauwelijks op vooruitgingen. Ouderenpartijen kunnen zich er elk jaar over opwinden, maar het hoort deels bij de levenscyclus. Tegelijkertijd voelen ouderen direct de pijn als de AOW en pensioenen niet verhoogd worden. Vorig jaar daalde hun koopkracht licht met 0,1 procent.

6. Wat zegt het dan als ‘de koopkracht’ gaat stijgen of dalen?

Het is een belangrijk ingrediënt voor de welvaart, maar het zegt eigenlijk niets over de verdeling van het geld. Terwijl de koopkracht van jongeren sterk stijgt en die van ouderen niet, zit het vermogen in Nederland vooral bij ouderen met een eigen woning. Jongeren onder de 25 jaar hadden in 2014 gemiddeld 10.000 euro vermogen en 65-plussers 244.000 euro. Van al deze jongeren verdient ruim 70 procent te weinig om ‘economisch zelfstandig’ (70 procent minimumloon) te leven, in vergelijking met 55 procent van alle 60-plussers. Disclaimer: denk niet dat half Nederland aan de bedelstaf is, in deze cijfers zitten ook veel niet-werkende partners.

7. Het kabinet wil een ‘evenwichtig koopkrachtbeeld’. Kan dat?

Nee. Nederland heeft een vlakke inkomensverdeling, maar tijdens de crisis is de ongelijkheid wel gegroeid, met name onder jongeren. Van de jongeren onder de 25 jaar is eenderde student met een laag inkomen, terwijl meer dan de helft wel werkt. Tijdens de crisis zijn jongeren langer gaan doorleren, waardoor deze ongelijkheid is gegroeid. Ook zijn jongere huizenbezitters harder getroffen door de huizenmarktcrisis dan ouderen, omdat zij vaker op de top van de markt hebben gekocht. Bij ouderen loopt de welvaartskloof vooral tussen huizenbezitters en huurders. Ook al krijgen inmiddels vier op de tien huurders subsidie uit Den Haag.