Je zal maar je beste vriend moeten executeren

Dat je de oorlog niet zelf meegemaakt hoeft te hebben om er een grootse roman over te schrijven bewijst de in 1953 geboren Duitse auteur Ralf Rothmann. In Sterven in de lente beschrijft een verteller die overeenkomsten met Rothmann vertoont (hij is een in het Roergebied opgegroeide en in Berlijn woonachtige schrijver) de oorlogservaringen van zijn vader, Walter Urban.

In het beginfragment roept hij het beeld op van ‘een elegante arbeider’, die op zijn sterfbed helemaal terug is in een oorlog waarover hij in zijn korte leven weinig heeft losgelaten. Vanwege dit ‘diepe verzwijgen’ is het ietwat raadselachtig dat de verteller vervolgens in detail zijn vaders belevenissen in de lente van 1945 optekent.

Walter Urban is een zeventienjarige melkknecht wanneer hij op het laatste moment – de Russen staan al bij Berlijn – samen met zijn vriend Friedrich Caroli wordt gerekruteerd door de Waffen-SS. Na een verkorte basisopleiding moeten ze naar het front in Hongarije, waar hun wegen zich scheiden.

Walter bezit een rijbewijs en heeft het geluk te worden ingezet als vrachtwagenchauffeur, maar de cynische Friedrich, die op desertie vlast sinds de dag dat beiden zich onder dwang ‘vrijwillig’ hebben aangemeld, wordt ingedeeld bij een gevechtseenheid. Hoewel Walter meermaals door Russische vliegtuigen onder vuur wordt genomen, beleeft hij zijn angstigste momenten door toedoen van de eigen troepen, die de lokale bevolking zonder aanzien des persoons standrechtelijk executeren: ‘Partizanen, Joden, hoeren, wat maakt het uit?’

Spoedig brengt het lot hem weer samen met Friedrich. Zijn vriend is als deserteur opgepakt en Walter wordt aangewezen voor het vuurpeloton. Kort daarop is de oorlog afgelopen, en na zijn krijgsgevangenschap moet Walter de overlevenden in zijn dorp onder ogen komen, onder wie Friedrichs zwangere verloofde.

Rothmann maakt diepe indruk met zijn verfijnde stijl en gedetailleerde kennis van het soldatenleven. Opvallend is de ruimte die natuurbeschrijvingen innemen, zoals de konijnen die zich op de grond drukken bij het overvliegen van een buizerd – een weerspiegeling van Walters angst voor jachtbommenwerpers (waarvan je de piloot in zijn glazen cockpit, voordat hij je te grazen neemt, nog ziet zwaaien ook). De hoofdpersonages zijn met hun morele grijstinten zeer geloofwaardig.

Bij een boek met grote verdiensten zijn tekortkomingen vergeeflijk. Dat Walter in het heetst van de strijd een paar dagen verlof krijgt (én een motor met benzine) om naar het graf van zijn gesneuvelde vader te zoeken, is hoogst onwaarschijnlijk, maar het bereidt wel de ontroerende epiloog voor, waarin de verteller na jaren weer naar Walters graf op zoek gaat.