In grote verlegenheid

Ongemakkelijke momenten waarbij de schaamte over de eigen persoon overheerst, maken we allemaal weleens mee. Momenten die ons in grote verlegenheid brachten, ‘embarrassing moments’, zoals het in het Engels heet – dit voor de Nederlandse wetenschappers die liever Engels lezen. Wat is de essentie (‘the quintessence’ dus) ervan? De volgende drie voorbeelden zullen het ons hopelijk leren.

Het eerste vond ik in het jongste nummer van mijn lijfblad Libelle. In de aardige rubriek ‘Blunder’ vertelt een anonieme naturiste hoe zij op een morgen naakt op de ‘naturistencamping’ naar het douchegebouw liep.

„Zo fijn om niet te hoeven nadenken over wat ik zal aantrekken. Zo ook die ochtend, afgelopen zomer, toen ik best een eind moest lopen naar het sanitair. Daar aangekomen zag ik een gezin, geheel gekleed in pyjama’s en joggingpakken. Opeens realiseerde ik me: we stonden op doorreis een nachtje op een ‘gewone’ camping.”

Ongewilde naaktheid, het zou zó uit een nachtmerrie kunnen komen. Het gezin moet gedacht hebben aan een krankzinnige, de vrouw zal zich zo hebben gevoeld.

In het tweede voorbeeld kom ik, met grote tegenzin, zelf voor. Ik lunchte in een oude kapel die tot restaurant was getransformeerd. Een merkwaardig gebouw dat tot nader onderzoek uitnodigde. Ik liep door hoge gangen, gooide hier en daar een deur open. Eén deur moest ik open duwen. Ik stapte kloek naar binnen en besefte pas mijn blunder toen ik honderden ogen verbijsterd op me gericht zag. Ik bevond me op een podium vanwaar iemand een lezing stond te geven. Een bedremmelde stilte trad in. Ik weet niet meer wat ik gemompeld heb, maar het zal niet veel samenhangends zijn geweest.

Deze ervaring kwam onlangs bovendrijven toen ik een uit 1951 stammende Amerikaanse bloemlezing van literaire artikelen las. Een ervan heette Ik herinner me ongaarne en was geschreven door de Canadese humorist Stephen Leacock. Hij reisde in 1893 op een schip met allerlei beroemdheden van Parijs naar New York. Het was gebruikelijk dat tijdens de laatste nacht een groot concert zou worden gegeven met (voor)lezingen door passagiers. Leacock vertelde enkele vrienden dat hij graag het gedicht ‘Lasca’ van Frank Desprez zou voorlezen met de verlangende beginregel I want free life, and I want fresh air. Dagenlang leerde hij dit gedicht van buiten.

Halverwege het programma hoorde hij de presentator zeggen: „We komen nu bij een onderdeel dat niet in het programma staat […] Ik zal de heer niet noemen die ‘Lasca’ zal declameren, maar hij zit in het publiek en ik vraag hem nu naar voren te komen.” Leacock stond op en schreed naar het podium. „Het was, denk ik, het spannendste moment van mijn leven. […] Steeds herhaalde ik bij mezelf: „I want free life, and I want fresh air.”

Toen zag hij aan de andere kant van de ruimte een grote, lelijke man die ook op weg was naar het podium. De toeschouwers keken naar de man, een bekende acteur-zanger, en applaus barstte los. „En nu dames en heren”, riep de presentator, „krijgt u de voorlezing van ‘Lasca’ door de heer DeWolf Hopper.”

„Niemand lette op mij”, schrijft Leacock. „Ik had een vrij leven, maar ik had meer dan ooit behoefte aan frisse lucht.”

Dat lijkt me de essentie van het Ongemakkelijke Moment: je bent op een plek waar je beter niet kunt zijn.