België levert steeds meer goede striptekenaars

De strip beleeft een Belgische Golf, met een hausse aan sterke tekenaars die bijzondere en mooie stripboeken afleveren.

Hubert van Ben Gijsemans

In de strip Vierenveertig na Ronny van de Vlaamse tekenaar Michaël Olbrechts wordt de grootvader van de broers Stef en Joris naar een tehuis gebracht. Na een hersenbloeding gaat het niet meer met hem. Maar de familie wil hem eerst nog één keer een onvergetelijke dag bezorgen. En dus is er een optreden van een re-enactmentgroep en een koud buffet in een feestzaal. Zelfs zijn broer Jozef, met wie hij langdurig gebrouilleerd was, komt langs.

In de 48 uur die het verhaal beslaat, wordt onthuld welke tragische gebeurtenis de oude broers uiteen heeft gedreven. Jozef vertelt het aan Stef en Joris, broers die zelf ook voortdurend botsen en kibbelen. Als Jozef het verleden heeft opgerakeld, tekent Olbrechts hoe dat hem raakt. Van zijn bedremmelde gezicht zijn verdriet, spijt en onbegrip af te lezen. Het is een verstild plaatje, dat extra schrijnt omdat er twee balloons in staan: de neven naast hem kletsen alweer door.

Botsing van beeld en tekst

Deze botsing van beeld en tekst is een voorbeeld van hoe subtiel Olbrechts de gevoeligheden in de familie schetst. In zijn heldere tekeningen hunkert iedereen naar een vorm van verzoening of vergeving, maar soms is het daarvoor domweg te laat.

Vierenveertig na Ronny, gedrenkt in wollige, zomerse tinten, is het tweede stripalbum van de jonge Michaël Olbrechts (1987). Twee jaar terug debuteerde hij indrukwekkend met de familiesaga De allerlaatste tijger. Met dat boek won hij in 2014 de tweejaarlijkse Silvester Debuutprijs.

Dit jaar ging de Silvester Debuutprijs opnieuw naar een strip van een jonge Belg: Hubert van Ben Gijsemans (1989). Bijzonder aan dit bijna woordeloze boek is het ritme, dat op kousenvoeten gaat. De overheersende bruintinten hebben eenzelfde ingetogen uitstraling. De titelheld is een alleenstaande man van middelbare leeftijd, die als voornaamste bezigheid het langdurig en geconcentreerd bekijken van schilderijen heeft. Op zijn beurt neemt Gijsemans de tijd om het kijken van Hubert aandachtig te aanschouwen.

De tekenaar volgt de blik van Hubert door in te zoomen op details van schilderijen. Het perspectief ligt vaak bij de rug van de kijkende man. Nauwgezet worden zijn bewegingen in beeld gebracht. In een strook van drie panelen doet Hubert niet meer dan door de draaideur van het museum naar buiten gaan. Gijsemans laat zijn eenzaamheid ademen.

Steeds is Hubert in zijn geheel of vanaf zijn middel te zien. Pas na veertig bladzijden, op de helft van het boek, is er een close-up. Dan kijken we recht op de afhangende mondhoeken en de grote brillenglazen van deze man. Hij oogt sneu, maar in vrede met zijn bestaan.

De belangstelling van Hubert ligt bij de vrouwen op de doeken. Zijn interesse is klinisch, lijkt het. Toch kan zijn onderwerpkeuze ook een gesublimeerde seksuele ervaring zijn. De wellustige buurvrouw in zijn flat versmaadt hij, maar een overbuurvrouw trekt hem. Is dat omdat hij haar kan bespieden? Hubert leeft door te kijken.

Supertalenten

De twintigers Gijsemans en Olbrechts zijn de nieuwste supertalenten in wat is uitgegroeid tot een Belgische Golf in de strip. Met Brecht Evens (1986) en Olivier Schrauwen (1977) heeft België al enige tijd twee tekenaars met groot internationaal aanzien, ieder met nominaties voor de prestigieuze Eisner Award en op het festival van Angoulême. Achter die twee volgt een almaar groeiend peloton tekenaars die zich de afgelopen jaren op bijzondere wijze hebben gemanifesteerd.

Daartoe horen beloftevolle debutanten als Inne Haine (1987), met haar aandoenlijke, met kinderlijke charme getekende Het mirakel van Vierves; Brecht Vandenbroucke (1986), met zijn melige kunstparodie White Cube (2013); Maarten De Saeger (1980), met het ironische Mijn begrafenis en Pieter Coudyzer (1979), die het beklemmende sprookje Woekeraar maakte.

Dat zijn nog maar de debutanten. Het is opvallend hoeveel spannende, wondermooie en bijzondere strips voor volwassenen er recentelijk gemaakt zijn in België; onder meer door tekenaars als Wauter Mannaert (1978), Simon Spruyt (1978), Judith Vanistendael (1974), Ivan Adriaenssens (1969), Serge Baeken (1967), Joris Vermassen (1964), Jeroen Janssen (1963).

Dat al dit talent kan floreren is mede de verdienste van het actieve beleid van de Belgische overheid, die tien jaar geleden besloot de strip royaal te gaan subsidiëren. En die dat consequent is blijven doen. Het Vlaams Fonds voor de Letteren begunstigt ongeveer evenveel stripmakers met werkbeurzen als prozaschrijvers. België beschikt ook over florerende stripopleidingen. De eerste was vanaf 1998 het Sint-Lucas in Brussel, waar Judith Vanistendael, Olivier Schrauwen en Simon Spruyt op zaten en waar in afgelopen jaren Michaël Olbrechts en Ben Gijsemans afstudeerden.

Dit alles staat in schril contrast met de desinteresse en grilligheid bij Nederlandse beleidsmakers voor strips. Hier wordt slechts een handvol tekenaars door het Letterenfonds geholpen bij het vinden van een buitenlandse uitgever. Met als gevolg dat Nederlandse striptekenaars worstelen om tot hun recht te komen.

Misdaadfotograaf

Meest recent voorbeeld van de Belgische overvloed is het vorige week verschenen Weegee, over de fameuze Amerikaanse misdaadfotograaf Weegee, van tekenaar Wauter Mannaert op een scenario van landgenoot Max De Radiguès. De snelle, losse stijl, met een belangrijke rol voor de schaduwpartijen levert een filmisch portret op van een ambitieuze fotograaf. Mannaert schildert een stemmig beeld van het nachtelijk New York en de criminele wijk Low East End, waarin Weegee zich in de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw beweegt.

Weegee maakt sensationele beelden van lijken en ongelukken, maar wil laten zien dat zijn talent verder reikt. Tegen een vriend zegt hij: „Niemand kan wat ik kan. En weet je waarom? Ik had elk van die lijken kunnen zijn. Ik ben tegelijk voor en achter de lens, begrijp je.” Met zijn sigaar en hoed spiegelt Weegee zich aan Humphrey Bogart.

In het tot in detail uitgewerkte scenario van Max De Radiguès is Weegee een grillige figuur, een man die mededogen toont, maar ook snel aangebrand is. Zonder scrupules fotografeert hij de doden en treurende achterblijvers. Als het even kan verlegt hij een arm of ontbloot een gezicht voor een esthetische compositie. Hetzelfde gebeurt bij zijn beroemde foto van slapende kinderen op een ijzeren brandtrap: hij dirigeert ze en verbiedt ze te lachen. Zijn parasitaire ijver bezorgt hem nachtmerries, waarin hij zichzelf mensen ziet wurgen: alles voor een mooie foto.

De taal van de titelheld is net zo hard-boiled als zijn optreden. Zo relativeert hij de interesse van rijke vrouwen: „Ze hebben hoogstens een morbide fascinatie voor die vent die naar de dood stinkt.” Met al die rake zinnen is het jammer dat de vertaling hapert – De Radiguès is een Waal. Zo zegt iemand bijvoorbeeld „Jij moet praten”, waar duidelijk de tegenwerping „Moet jij zeggen” wordt bedoeld.

Rwanda

Een andere onvergetelijke proeve van de Belgische stripweelde is het eerder dit jaar verschenen monumentale Abadaringi van Jeroen Janssen. In dit boek documenteert Janssen met veel kleur en elan hoe het de leerlingen en docenten van de kunstopleiding van Nyundo in Rwanda verging na de genocide van 1994. Hij was er zelf leraar vanaf 1990 en moest ook „halsoverkop” vluchten. Dat jaar vermoordden Hutu’s circa een miljoen Tutsi’s.

Zijn bezoeken vanaf 2007, geschreven en getekend in een empathische reportagestijl, laten zien hoe ingrijpend de levens van de betrokkenen werden omgegooid. Janssen zoekt hen op, niet alleen in Rwanda, maar ook in België, Frankrijk en Spanje.

De tekenaar stuit op veel verdriet en wanhoop, maar ook op optimisme en de neiging vooral vooruit te kijken. Bij alle verschillen tussen hen is er één gevoel dat ze delen, gevat in de zin: „Het is een wonder dat ik nog in leven ben.” Met 380 bladzijden oblong is Abadaringa een stevige pil, maar het is geen bladzijde te dik. Van de meeste gesprekspartners wil je alleen maar meer weten dan de twee pagina’s die Janssen ze per persoon gunt.

In zijn begin dit jaar verschenen historische studie België gestript schrijft Geert De Weyer dat België decennialang ‘de draaischijf van de Europese strip’ was. Die positie is overgenomen door Frankrijk, maar de kwaliteit van de strips die momenteel uit België komen, geeft nieuwe reden tot optimisme. Het is nog altijd een stripland om rekening mee te houden.