Recht & Onrecht

Bij orgaandonatie geeft ‘ja tenzij’ meer mensen de kans te doen wat ze ook willen

Psychologen weten al lang dat mensen bij het nemen van beslissingen zelden uitgebreid voors en tegens afwegen. Laksheid of luiheid maken dat mensen zich niet registreren als orgaandonor, schrijft Denise de Ridder, hoogleraar psychologie, in de eerste aflevering van de Gedragscolumn.

Na jaren gesoebat over het hete hangijzer van actieve donorregistratie, gebeurde afgelopen dinsdag dan toch wat weinig mensen hadden zien aankomen. De Tweede Kamer stemde onverwachts en met een krappe meerderheid voor de initiatiefwet van D66, waarbij iedereen automatisch donor is tenzij hij expliciet aangeeft dat niet te willen.

D66 had het wetsvoorstel meerdere keren aangepast in een poging tegemoet te komen aan de bezwaren van onder meer het CDA en stelt voor om de zeven miljoen mensen die niet reageren op herhaaldelijke oproepen om een beslissing te nemen over donorschap – voor dan wel tegen – te registreren als donor (het ja-tenzij-systeem).

Net als bij eerdere debatten over donorregistratie vlogen voor- en tegenstanders elkaar de afgelopen maanden in de haren met columns, opiniestukken en blogs. Tegenstanders beroepen zich op het principiële argument dat standaard registratie in strijd is met het fundamentele recht op zelfbeschikking en een aantasting van de onschendbaarheid van het lichaam. Voorstanders hameren erop dat het nieuwe systeem de levens kan redden van mensen die nu onnodig vroeg komen te overlijden door het gebrek aan organen.

In dit gepolariseerde debat wordt een belangrijk argument over het hoofd gezien en dat is dat mensen vaak niet doen wat ze wel graag willen doen. Psychologisch onderzoek heeft aangetoond dat goede voornemens lang niet altijd in daden worden omgezet en dat mensen beslissingen voor zich uit schuiven omdat ze andere dingen aan hun hoofd hebben, vergeetachtig of druk zijn of simpelweg lui. Dat geldt niet alleen voor alledaagse plannen als beter op je geld letten, gezonder eten, of je administratie bijhouden, maar ook voor beslissingen over zwaarwichtige kwesties als orgaandonatie.

In Europese landen waar een ja-tenzij-systeem bestaat (onder andere België, Frankrijk en Oostenrijk), staat meer dan 90 procent van de bevolking geregistreerd als donor. In landen met een nee-mits-systeem is dat vaak minder dan 10 procent. Het is onwaarschijnlijk dat er binnen Europa zulke grote verschillen zouden bestaan in opvattingen over orgaandonatie. De cijfers suggereren eerder dat een ja-tenzij-systeem de grote groep mensen tegemoetkomt die wel donor zouden willen zijn maar er niet aan toekomen zich op te geven.

In de psychologie is het al lang gesneden koek dat het uitgebreid afwegen van voors en tegens bij het nemen van beslissingen maar weinig voorkomt. De meeste besluiten worden genomen op de automatische piloot of – in de woorden van Nobelprijswinnaar Daniel Kahneman – eerder ‘snel’ dan ‘langzaam’. Een ja-tenzij-systeem speelt in op dat soort snelle beslissingen en geeft de mensen de mogelijkheid om zich meer te gedragen in lijn met wat ze willen doen.

Tot nu toe maakten we het gemakkelijk voor de mensen die tegen automatische registratie zijn; zij hoeven niks te doen als ze geen donor willen zijn. Als de nieuwe wet de Eerste Kamer haalt, wordt dit omgedraaid en maken we het gemakkelijker voor de mensen die wel hun organen ter beschikking willen stellen maar vergeten actie te ondernemen (ruim 60 procent volgens een opiniepeiling uit 2014).

Zolang we erop toezien dat mensen die geen donor willen zijn gemakkelijk onder hun automatische registratie uit kunnen, bijvoorbeeld door ze er regelmatig aan te herinneren dat ze zich kunnen uitschrijven, brengen we niet alleen het aantal beschikbare organen omhoog maar houden we ook rekening met de manier waarop mensen beslissingen nemen.

Denise de Ridder is hoogleraar psychologie in Utrecht en doet onderzoek in het SelfRegulationLab. De Gedragscolumn wordt geschreven door sociale wetenschappers.