Ballet vraagt meer dan hoge benen en wat gestrekte tenen

Toer van Schayk wordt 80 en hij geeft Het Nationale Ballet twee cadeaus. Een gaaf nieuw duet, melancholisch, maar niet zwaarmoedig. Het grootste geschenk is Requiem. Want in het groot bezette ballet uit 1990, op Mozarts dodenmis, is duidelijk te zien hoe hij 34 dansers naar een hoger niveau tilt en laat ruiken aan een benadering van dans die méér vraagt dan hoge benen en gestrekte tenen.

Net als de muziek is de choreografie vol dynamische variatie. Er zijn zuigende groepsformaties en kleiner bezette delen en, vooral, dansers die bezig zijn met lading, intentie, energie en ruimtelijkheid van de choreografie. Daarbij schuift Van Schayk ook minder bekende dansers naar voren die uitblinken in expressiviteit: Floor Eimers, Anatole Babenko, Clemens Fröhlich, Nathan Brhane. Zij geven overtuigingskracht aan het ballet, dat een aanklacht is tegen de manier waarop de mensheid met de natuur omgaat, zoals in korte filmfragment van onder andere de olifantenjacht is te zien.

Jammer dus dat niet het hele programma aan Van Schayk is gewijd. Nu staat zijn werk naast Vier Letzte Lieder, waarin wel de bewegingen van Rudi van Dantzigs choreografie te zien zijn, maar helaas nauwelijks de emotionele expressie. In Adagio Hammerklavier van Hans van Manen is die stevig in de bewegingscompositie en -regie verankerd. Dat ballet is daardoor niet stuk te krijgen. In geen honderd jaar.